enh Tak 4

VEN nt lente aide vd

EE =

'WABINE T

DER NATUURLYKE HISTORIE N, WETENSCHAPPEN, KK ONSTEN

E N HAND WERKEN, Voor de Maanden JANUARY En FEBRUARY 1725.

Verciert enopgebeldert met Kopere Plaaten;

VYFDE DEE Ia

Ter AMSTERDAM, BYHENDRIKSTRIK,

Boekverkoper bezyden’t Stadhuis. 1721:

od Jan LE A: 14 dn Ho2 En „d Ee © ns 5

AES 4 5% Bic sd Bn Rs d ax Kl EW qd Ht. AH EE ‚ Pe 7 nd p mi DM 7 \ ER on

oe LE van YR Agt

ed :

td aaf EE

Pag. 5

N A TU U R- E_N

_KONST-KABINET,

Voor de Maanden JANUARY en FEBRUARY

ME,

Twaalfde Verhandeling van de ALG E- MEENE natuurlyke Hiftorifchry- vers, en in dezelve het kort begryp , ende Opheldering der natuurlyke Hiftorien , der Proefkundige; Natuurkunde enz. van den Hoogwaardigen ROBERTUS BOTTLE.

I,

es N de Elfde (a) Verhandeling der Ee? Natuurlyke Hiltorifchryvers, be- „5 zagen wy , in het Eenentwintig-

TEE fte Boek van de Natuurlyke Hi- N {torie van Ferrandas.Imperatus ,

Arg het

(a) Ziet Natuur. en Konft-Kabinet voor de Maan- den November ea December 1720,

6 _-Nafuur- en Konft-Kabinet ; het beginzel van zyne verhandeling over, den Lapis Philofopborum;, maar dewyl de-kragt van dezen Schryver beftaat in de zaaken, dewel- ke in deze eerfte eenentwintig Boeken vervat zyn, en in de uitvoerige befchryvinge der Mi- neralen en Metaalen; en dat de overige ver- handelingen van zyne natuurlyke Hiftorie van hem zelfs niet zo veel gewaardeert zyn ge- weeft (gelyk uit zyn eigen voorreden blykt) zal ik den Lezer met derzelver uitvoerige uic- pluizinge ook niet ophouden , maar alleen- Iyk voorftellen, dat onzen Ferrandus Impe- ratus in zyn eenentwintigfte Boek verfcheide procef]en tot bereiding van den Lapis voor- ftelt. Het Zwee-enswintigfle Boek handelt van de voortteelinge der Steenen en derzelver onder{cheidentheden in ’% algemeen. Het Drieentwintigfte Boek handelt van de voort- teelinge der edele Gefleentens. Het Vieren- swintigfte Boek handelt van de voortteelinge der Gefteentens, dewelke een zekere en be- paalde figuur aanneemen. Het Vyfentwintig- e Boek handelt van de orderfcherde natuur- byke gefteltheden der Steezen, Het Zefeutwin- zigfle Boek handejt van de Steenen, dewelke uit de Metaalen geboren worden, of „dewel- ke een metallyne eigenfchap bezitten. Het Levenentwintiglte Boek handelt van de Zee- gewaflen, Het Achtentwintigfte Boek (met het welke Ferrandus Imperatus 1yne Natuur- lyke Hiftorie eindigt) handelt van zommige raare Plantgewaflen en ongewone Dieren.

Vol.

|

Fanaary en February 1721 »

xe

Volgens de Bepaalinge, dewelkeik van een Algemeene Natuurlyke Hiftorifchryver gege- ven heb, komt aan den Hoogwaardigen Rosertus BoyrE met groot recht toe de voortreffelyke Eernaam van een ALGEMEE- NE NATUURLYKE HISTORISCHRYVER 5 want behalven dat deze voortreffelyke Schry- ver byna de geheele Natuur, met alles wat daar in gevonden werd, heeft trachten door te kruizen, en naauwkeurig te doorfnuffelen, fchynt-hy een verttand gehad te hebben, het welk in veele hoedanigheden met de geeft van Ferrandas Imperatus overeen kwam ; nochtans met dit onderfcheidt, dat hy veel doordringender van oordeel , veel naauw- keuriger» veel oplettender, en van veel meer uitvindinge is geweelt ; want de proeven , door dewelke Zusperatus de Natuurlyke zaa- ken heeft leeren kennen, zyn meerder uit- gevoert door andere als door hemzelfs 5; daar in tegendeel de Heer Boyle ontelbaarz proe- ven niet alleen zelfs, en met zeer groote on- koften , heeft in ’t werk geftelt, maar noch daar en boven een groot getal fraaye en kon- ftige Werktuigen heeft uitgevonden, om de proeven der dingen wel aan teftellen; jazelfs zo ver, dat wy de eere aan den Heer Boyle verfchuldigt zyn, dat hy de Proefkunde voor een groot gedeelte (en behoudens de eere van zommige groote lralianen , Franfchen en Duitfchers ) aan de wereld geleert heeft: daar in met Zmperatas overeen koomende. 1. Dat

A 4 hy

8 Natuur= en Konft-Kabinet ,

hy de Natuurlyke Hiftorie, en wel voorna- mentlyk de natuurkundige Kennifle der Schep- zelen, niet zo zeer heeft trachten op te hel- deren door Speculatten en harffen-{childeryen,, ‚ fteunende op ydele algemeenheden, als wel door proeven en langdurige bevindingen. 2. Dat hy, even gelyk Perrandus Imperatus, het nut en het gebruik, het welke de Natuurly= ke Hiftorie ende Proefkundige Natuurkunde toebrengen , in de Konften, Handwerken en Ambagten , kragtdaadig heeft aangewe- zen , voegende (gelyk als ik in dit Boekje overal en altyd insgelyks zal trachten ) in alle gelegentheden Natuur en Kontft te zamen. 3. Heeft de Heer Boyle de Natuurlyke Hiftorie in een ordre gebragt en aangewezen; welke regelen een natuurlyke Hiftorifchryver dient waar te neemen, in het befchryven van de natuurlyke Hittorie van een Luandfchap, het welke noch nooit op die wyze van iemant anders voor hem gedaan is.

3:

Dat de weergadelooze en hoogwaardige ‘RoBeRrTus BOvre al zeer vroeg de noodza- kelykheid der zamenvoeginge van Natuur en Konft begrepen heeft, is een onwederfpreke- Iyke waarheid, want het eerfte werk , dat die onvergelykelyke Man gefchreven heeft, zyn vyftier Verhandelingen of lerteroefeningen over de: NUTHEID VAN DE NATUURLYKE EN PROEFKUNDIGE WYSBEGEERTE, zo in % algemeen ‚alsook IN DE WETENSCHAPPEN, KONSTEN EN HANDWERKEN. De Heer Boyle

heeft

Jannary en February 172x. 9

heeft dit werk gefchreven in de jaaren 1651, 1652, 1653. enz. in het een, twee en drie- entwintigite jaar van zyn ouderdom, maar het is niet eerder in het licht gegeven als 1661. 1662. en 1663. na dat het zelve verfcheide= „maal was afgefchreven, en onder verfcheide handen gezwurven hadde , gelyk ook nader- hand veel andere werken van den Heer Boyle; in zo verre dat zommige Schryvers „by de Ken- ders van de Natuurlyke Hiftorieen Proefkun- de wel bekent, zo in Vrankryk als elders, zich van de uitvindingen van den Heer Boyle bedient hebben, en dezelveop huneigen naam hebben uitgegeven.

4:

Ik zal van den afkomft noch hooge geboorte van den Heer RoBeRrTus Bovyre hier gene byzonderheden aantekenen , dewyl aan een iegelyk geroegzaam bekent is, dat dezen Edelman gefproten is uit een van de eerfteen adelykf{te Huizen van Engeland ; en na ik uit zyne Schriften heb konnen ontdekken, is hy geltorven in ’ jaar 1693. in zyn drie ot vier- enzeftigfte jaar. Deze 1s Verhandelingenzyn in de gedaante van een gefprek tu{lchen twee Liefhebbers gefchreven , tot dienít van een voornaam Edelman en boezemvriend van den Heer Boyle : een manier van fchryven meer gebruikelyk by de Oudenals hedendaags. Het oogmerk van den Schryver is geweeft, om aan te toonen, dat de kennifle der Na- ‚ tuurlyke zaaken niet anders kan verkregen

worden als door proeven, waarneemingen en

A voor

ro Natuur-en Konft-Kabinet,

voorzichtige bevindingen; datde Wysbegeerte der Scholen daar onbekwaam toe word be- vonden, en niets uitrecht, als een ontelbaar getal fubtile Queftien, bairkloveryen en on- derftellingen voort te brengen, beftaande in afgetrokke Denkbeelden , dewelke met de waare gefteltheid der natuurlyke Schepzels en derzelver verfchynzels weinig overeenkomft hebben ; behalven dat ook de Heer; Boyle met dit zyn fchryven getracht heeft andere op te wekken, tot het doen der proeven, tot het aanleggen van goede en naauwkeurige waar- neemingen, en tot het vlytig aantekenen van de oudervindingen , om door dezen weg de waare gefteltheid en hoedanigheden der na- tuurlyke Schepzels te achterhaalen.

5-

De Heer Boyle heeft zich, volgens zyn ei- gen voorberigt, inhet toeftellen van dit werk, alleen niet ontzien , de Proef-ondervindingen by de Ambagtslieden en Handwerkers zelfs op te zoeken, maar heeft zelfs noch daaren- boven zeer dikwils de aldergemeenfte en be- kent{te bevindingen en proeven tot zyn bewys bygebragt, omdat de Lezers van de waarheid van een zaak veel eerder overtuigt en onder- wezen konnen worden door proeven en be- vindingen, dewelke eenvoudig of algemeen bekent zyn, als door ongewoone en moeye- lyke toeftellingen. Ook konnen de geftelt- ‘heden en aart der Schepzelen nergens eerder gekent worden als by de Ambagtslieden en

werkmeetters, dewelke dikwils hun geheele le-

january on February17 20. 1 leven befteedt hebben omtrent de gedurige be- handelinge van een eenig natuurlyk Schepzel. Neemt by voorbeeld Goud,of Zilver.of Koper, of Tin, of Loodt, of Yzer, of Hout, of Steen, of Zyde , of Katoen, of Vlas , of Verfitoffen, of vorder alles waar uit de ge- wrochten van de Konften , Ambagten en Handwerken beftaan; en omdat ook het voor- naam(te oogmerk van den Heer Boyle altyd geweelt is, de Hiltorien van de Natuur en van de Konft door en met malkanderen opte helderen, konde hy dezelve door geen zaaken meerder bevorderen , als door aan de oefenaars der Konften, Ambagtenen handwerken, de kennifle der natuurlyke Hiftorie te leeren en aan te pryzen, en ook wederom de Liefheb- bers en Onderzoekers van de Natuurlyke Hi- ftorien licht by te zetten uit de langdurige Proef-bevindingenen oefeningen , dewelke elk Konftenaar, elk Ambagtsman enz. door een gedurige behandelinge van het natuurlyk fchepzel of fchepzels, omtrent dewelke zyn kontft of ambagt verkeert, gekregen heeft.

6

Als wy door de woordelyke onderrech-

tingen van de Ambagtslieden en Konflenaars gaan leeren, zullen wy dagelyks gew&ar wor-

den, dat zeer weinig handwerkslieden goede reden van hunne oefening aan ons konnen geven ; voor een gedeelte zyn zy niet bekwaam om met klaare redenen de bevattinge van hunnen geeft levendig uit te drukken; aande andere kant vergeeten zy „of geheelte melden de aanmerkelyk(te om{tandigheden, of raaken

de=

12 _ Natuur-en Konft-Kabinet,

dezelve maar duifterlyk en als met den vin- ger aan, omdat zy by zich zelfs oordeelen, dat dezelve aan een iegelyk bekent zyn,dewyl zy die zo wel weeten , dat zy dezelve voor algemeen bekent ovordeelen. Zomtyds ge- beurt het ook wel, dat zy achterhoudend zyn omtrent zommige omftandigheden , dewelke zy voor groote geheimen houden, en dit zal u meeft ontmoeten by de alderonnozelfte en . onkundigfte van die lieden, Om deze reden moeten wy gemeenzaam met deze lieden ver- keeren, in hunne werkhuizen en winkels ín- treeden , en de zaaken met onze eige oogen dikwils zien verrichten ,en naauwkeurig aan= tekenen; of wy moeten (het weik noch veel beter is) groote werkhuizen oprechten, en daar in de Ambagten, Handwerken en Kon- ften, zelfs laaten oefenen en verbeteren.

De Heer Boyre is van gedachten, dat het verwaarloozen van deze noodzakelyke waar- neemingen de oorzaak is, dat de PROEF- ONDERVINDINGEN DER AMBAGTSLIEDEN , dewelke aangetekent zyn, en gevonden wor- den in de fchriften van Carpanus, Wec- KERUS, en BAPTisTA A PORTA , 20 laf , onvoldoende, onvolmaakt en duifter zyn; te meer om dat het deze drie vermaarde Man- nen zelfs anderzins aan geen vlyt, oordeel, geleertheid of bekwaamheid ontbroken heeft. Wy vinden nooit beter, klaarder, omftandi- ger befchryvinge van de Ambagten, Hand- werken en Konfien, als dat dezelve befchre=

ven

January en February 1721. 13

vén worden door de Konftenaars, Ambagts- lieden en Handwerkmeefters zelve ; getui- gen hier van zyn zeer veel treffelyke Boeken, over de Schilderkonít, Steenhouwerskonft, Draaykonft, Scheepsbouwkunde , Deftilleer« konft, Bergwerkkunde, Bouwkunde, Plaat- Ínyders- en Ets-konft,Glasblaazerskonft, Glas- flyperskonft, Verfkonft, Drukkonft, Hoveniers- konft,Landbouwkontt,V uurwerkerskon(t enz. Hoe uitvoerig en naauwkeurig zyn de Boeken van ANToNius Neri over de Glasblaazers= konft, en het raar en uitmuntend Boek van den vermaarden Goudfmidt en Juwelier BENEVENUTO CELLINi, overde Edelgefteen- ten-zetterskontft, de Goudfmids konft enz. be- halven verfcheide andere , dewelke in ver= fcheide taalen gefchreven zyn, en van dewel- ke de Heer Boyle mede eenige aangemerkt heeft? Maar wy vinden zeer weinig Hand werkslieden, dewelke zoveel geeft bezitten, om zo veel andere wetenfchappen en be- kwaamheden te leeren, als daar toe van noo= den zyn. Een man, dewelke altyd niet an= ders gedaan heeft als werken , en onder zyns gelyk te verkeeren, verkrygt zelden een ver- ftand, hetwelke daar toe bekwaam is; de gedachten van zodanig een zyn zelden in een goede ordre, en het oordeel is niet genoeg gepoly{t, om zyn konft , handwerk , of am- bagt zodanig omftandig en naamwkeurig op het papier te (tellen, dat een onkundige daar uit bekwaame kenniffe van: dezelve kan verkrygen. De meefte menfchen, zo wel de Geleerde, voornamentlyk. van: dezen. onzen

f leef-

14 __Natuur= en Konft-Kabinet , leeftyd, als de ongeleerde, zyrt van gedach= ten, dat zy niet anders behoeven te weeten, en ook nergens anders na behooren te trach- ten, als dat hun kan dienen om de mond o- pen te houden ofeen ftuivertje te winnen, en dat (zo zy oordeelen) in hun wetenfchap, konít of handwerk, zodanig te pas komt, dat zy het zelve niet konnen miflen. Dit is de oorzaak, dat wy zo veel magere en laffe zielen vinden onder diegene, aan dewelke de oefeningen der wetenfchappen , konften , handwerken en ambagten, aanbevolen zyn.

8.

Om de boven aangehaalde en noch veel meer andere redenen, is het noodig, dat wy de konften, handwerken en ambagten, zelfs met de uiterlte naauwkeurighefd en oplettend=- heid van naby gaan befchouwen, leeren, en alles met de alderminfte omftandigheden aante= kenen, om door dien weg de waare Proef bevindingen vande onderwerpen van elk Am. bagt of natuurlyke Schepzels te verkrygen, en daar door de natuurlyke Hiftorie en Proef. kundige Wysbegeerte op te helderen en te verklaaren ; op dat dezelve meerder licht , klaarder kennifle, en zekerder Theory zoude byzetten aan de oefenaars der konften, hand- werken en ambagten; dat is, Natuur door Konft , en Konft door Natuur verklaaren , en beide in een helderder dag ftellen , zo wel tot dienft van de Konttoefenaars en Handwerks- lieden , als tot nader ontdekkinge voor de

Liethebbers en onderzoekers der Natuurlyke Hi-

+

January en February 1720. is

Hiftorien en proefkundige Wysbegeerte. Als de Natuurlyke Hiftorie en proefkundige Wys= begeerte opgehelderten verlicht waren, door de uitmuntende Proef-ondervindingen der Konften, Handwerken en Ambagten, en dat de konften*, handwerken en ambagten , ver- klaart en uitgelegt waren door de natuurlyke Hiftorikunde en proefkundige Wysgbegeerte, is het zeker, dat wy geheele andere konft- oefenaars en handwerkslieden zouden verkry- gen, en dat onze School-Philofophen door den tyd zouden veranderen in nutte en voor den Lande voordeelige Leermeefters. Ook zouden onzekontten, handwerken en ambag- ten, in zeer veel deelen en omftandigheden verbetert, en met nieuwe uitvindingen ver= meerdert en verrykt worden,

9.

Niemant zal licht ontkennen, dat een ge- leert, wel opgevoedt, en in de wetenfchap- pen bedreven man, veel meer bek waamheid heeft, om de konften en handwerken te ver- beteren, en met nieuwe uitvindingen te ver- ryken, wanneer derzelver gebreken en ont- beeringen aan hem bekent zyn geworden, als een rouw, ougepoly(t, en kwalyk opgevoedt ambagtsman. Hoe kragtig veel de enkelde befpiegelingen der (chrandere harflens hebben konnen toebrengen aan veele nuttige konft- ftukken en dienftige werktuigen, bewyzen de Wetenfchappen , dewelke op de zuivere Wis- konft raften. Geheele Handwerken en Ambag- ten zyn daar uit voortgekoomen in geen klein

gen

16 __Natuur= en Konft-Kabinet,

getal; gelyk by voorbeeld, het maaken van Mathematifche Inftrumenten ‚Wereldkaarten, Globen , Muficale Inftrumenten , Fioolen van alderhande foort, Fluiten, Schalmeyen, Trompetten, Waldhoorens , Klavecimbaalen , Hakkeborden , Orgels , alderhande gereed- fchappen voor de oefenende Meetkonftenaars van verfcheidefoort,voor de Sterrekundige enz. behalven dat'ik zwyge de ontelbaare werktui- gen door de Mechazica voortgebragt, als ook de Gezicht- Vergezicht- en Doorzichtkunde , van

brillen , verrekykers , vergrootglazen ; ik

zwyge van de gereedfchappen en werktuigen

voor de proeven tot ontdekkinge der Lucht, als lucht-pompen en verfcheide andere , en

werktuigen tot de Waterweegkunde, mits- gaders de van zelfs beweegende werktuigen

en konftflukken , als alderhande Hang- en

Zak- Vurwerken, konftige Fonteinen, en

ontelbaare andere konftftukken en werktui-

gen, enkeld voortgebragt of verbetert door

de valte befpiegeling van. het. kandige ver-

nuft; alles tot een zeker bewys, van welk

een nut en dienft de voortreffelyke proef kun-

dige Wysgeeren, Wiskonftenaars, Mechani-

eten natuurlyke Hiftorikundige zouden zyn ,

invhet vermeerderen’, verbeteren’en verryken van de-Ambagten:, Handwerken en konften,

dewelke nu in laage en onkundige handen

vervallen zyn, gelyk als door veel voorbeel

den zoude konnen aangecoont worden. Cor-

NELIS DREBBEL onder anderen ( zegt de

Heer Boyle) was geen Verwer noch Am-

bagtsman , nochtans heeft hy de rykdommen der

Hanuary en February W7rr. 17 der Verwers met de uitvindinge der Schar- laaken ‘koleur zeer vermeerdert. Hoe zeer onze voortreffelyken Hollander Chrift. Hui- gens de Horologymaakers kont verryke heeft, ds byna aan de geheele wereld bekent; en ik zoude geen einde vinden , als ik wilde opzoe- ken en optellen de uitvindingen, met de welke verfcheide geleerde Mannen zommige Handwerken, Konftenen Ambagten , verrykt hebben. í Ë 10.

„Maar om eens tot de Verhandelinge van den voortrekkelyken RoBERTUS Boyre, wegens de nuttigheid der Proetkundige Wysbegeerte, over te gaan , flaataan te merken ‚datde Heer Boyle met de eerfte, tweede, en derde Ver- handelingen , tracht aan te wyzen de nuttig- heid en dienft der proefkundige Wysbegeerte, voornamentlyk met betrekkinge op de Geeft van den Menfch. De Heer Boyle oordeelt, dat de Wysbegeerte der Schonlen-( dewyl dezelve niet anders leert als maar het Syffema der: Meeningen van Ariftoteles, of van ande- re onderftellende Philofophen ) zeer licht te achterhaalen is ; maar dat in tegendeel de proefkundige -Wysbegeerte een zeer. moevye- Iyke, koftbaare en- werkelyke betrachting en arbeidt is, maar het Ion van dezen arbeidt is wederom zeer groot, want dezen arbeNe leert aan de geeft des menfchen de kenniffe der waarheid, en de uitvoeringe der deugden. Be- halven dat dezelve het verftand verrykt en verciert. met: veel uitmuntende denkbeelden , „V. Deer. B zui

18 Natuur-en Konff-Kabinet,_

zuivert zy ook den geeft van ontelbaare voors | oordeelen en-dwaaze meeningen, door onzelf opvoedinge en verkeeringe onder de onkun= | dige men{chen verkregen; ja zy vergeldt on= zen zwaaren arbeidt door een gedurige en aan= genaame verkwikkinge, dewelke zy aan ons

verftand toebrengt, door de ontelbaare veran= |_

deringen van Wezens, en derzelver verwonde= renswaardige zamenftellingen en wonderwer= ken,dewelke ons vertand dagelyks befchouwt 3 zy voldoet onze aangebore nieuwsgierigheid,en wekt onze godvruchtigheid op , om den Schep- per en Onderhouder van alle deze verwon- derens waardige natuurlyke gewrochten , met liefde en dankbaarheid, en opgevult van vers wondering, teeeren en te dienen,

ïe

Dat niet alle menfchen overgaan tot het onderzoek en de betrachtinge van de Natuur= lyke Hiftorie, en de Hiltorie der Kontten en Handwerken , en de proef kundige Wysbe= geerte, gefchiedt maar enkelyk , omdat zy dik wils dezelve in het aldermin{te:deel niet kennen ; anderzins is een iegelyk menfch natuurlyker wyze, en uit zich zelven en buis ten zyn eigen mede weeten, daar toe-als uit= geftrekt, en als gefchaapen. Is niet elk een; “door nieuwsgierigheid Aangedreeven , begeerig, de Schepzels, onder dewelke hy verkeert;te: befchouwen, en gewoon zich over dezelve te verwonderen? ‚Nu zoude een iegelyk deze voorwerpen van zyne ver wondering wel dies’ Per en naarftiger onderzoeken, indien aan: 5 hem

January en February 1720. 1g hem maar bekent was de rechte weg, door dewelke hy in-de verborgentheden der Schep- gels ingeleidt word, en daar hy dûitënd ver- wonderens waardige zaaken ontmoet, want elk meafch is met een natuurlyke neiging ge= boren om te weeten; en dewyl onder alle de beweegingen van den geeft geen een zo fterk en zo algemeen is, als de begeerlykheid , ‘zoude deze den mehfch genoeg aandryven tot het betrachten van de kennifle der natuurlyke Hiftorie, der Hiftorie van Konften en Hand- werken, en der proefkundige W ysbegeerte, als aan hem bevindelyk bekent waren het nut, het voordeel, en de voortreffelyke vruch= ten van deze wetenfchappen. De doodelyke onkunde, daar de eee menfchen zich in bevinden, word niet zo zeer geboren uit een afkeer „ dewelke zy hebben om te weeten, en zaaken te kennen; want wy zien het tegen= deel, hoe zy loopen en gedurig reikhalzen , en de onnozelfte wel het meelt, om gedurig wat nieuws te hooren; maar deonwetendheidder _ menfchen word alleenlyk voortgebragt, om dat zy de ter wetenfchap leidende weg niet kennen, en dat zy gedurig afgetrokken wor- den van al te veel voorwerpen, dewelke zy dagelyks te haaftiglyk befchouwen , fpringen- de als nieuwsgierige ydeltuiten van het eene op het andere, zonder aan hen zelven de tydtegeven, van een eenig voorwerp wel en behoorlyk te bezien ente leeren kennen, Als Wy veel willen zien, moeten wy onze oogen toefluiten, en met onzen geeft zeer lang op een zaak (ter-oogen, en leeren doordenken.

B 2 Deze.

zo Natuur-en Konft-Kabinet „ Deze raad, dewelke ik hier geef, Lezer; moet niemant van de hand wyzen „ want zelfs bet aldergering{te verftand, en de alderonbe- drevenfte geeft, zal zich by dezelve in al zyn doen en laaten wel bevinden. ' 12. 4 _Als het Boek van de Natuur (negtde Heer Bory LE) by beurten woorgeflelt word aan een gemeen toekyker, of aan een treffelykW’ys- geer, zal dit onderfcheidt omtrent het zelve gebeuren, als of een kind bezag de beiligjes van een Boek in de Beeldjpraak, en van een verbor= gen zin befchreven, en of een dier zaaken kun= dig Wysgeer het zelve kwam door te leezens want den eene zal zich overvloedig verkwik= ken, door de fraaye fchilderyen en wonderlyke tekeningen der beelden, en den andere zal niet alleen vervrolykt worden door alle uitwendige voorwerpen, dewelke de zinnen ftreelen, maar zal zich noch daar en boven verwonderen over de ondoorgrondelyke wysheid van den Schepper, en over de verborgentheden en wonderen, de- welke hy daar in gewaar word. Het is naau- welyks voor een onkundige tebegrypen, hoe aanlokkelyk de voorwerpen voor een kender worden, door het naauwkeurig en diep on- derzoek. Zo ras als de menfchen aan de Proef-bevindinge geraakt zyn, en door dezel- ve in de.proetkundige Wysbegeerte, in de kenniffe der Hiftorien van konften en hand- werken, en in de waarneemingen van de na- tuurlyke Hiftorie vry wat gevordert zyn „ is niets zo aangenaam , Zo fmakelyk en zo ftree- lende voor hunnen geelt, als. deze betrach- Ung ;

January en February 1721e zi ting; zy weet onzen geeft zo kragtig te be- weegen, dat zy als buiten zich zelven vers rukt word : daarom verwondere ik my niet, (zegt den grooten Heer, Bovre ) dat Archt- medes „gevonden hebbende de oorzaak van een byzondere zwaarigbeid der Natuurkunde, uit de badftoof, daar hy in zat, als een dolle en gebeel naakte over de flraat vloog, gedurig uit= roepende: ik beb ’t gevonden, 1k heb ’t gevon= den: en dat Plinius de oude 10 zeer getrok- ken wierd , om den brandenden Berg Vefuvius van naby te befchouwen , dat hy door deszelfs damp verltikt en een Marte- laar van de Natuurkunde wierd. De Wys- geeren door ’t vuur of de Chymiften,zult gy „ door weetluft gedreven, vinden zitten in het midden van een onverdragelyken rook , ter- wyl zy half gezengt worden van hêt vuur, en dikwils in gevaar van hun leven zyn, door de fchadelyke damp van zommige zaaken ; daar ik met een ondervindinge van zeer lan- ge jaaren zelfs van fpreeken kan. Een ver- ftorven menfchelyk lichaam „ een (tinkend aas, dat niemand aanraaken durft, of naau- _welyks durft bekyken, uit een affchrik voor de dood, grypt een Anatomift niet alleenlyk greetig aan , maar Verzuimt zelfs eeten en drinken, en ís niet van dit aangenaame brok- je (het. welk hy tot in de diep{te en afgele- (nde wegen doorzoekt ) at te trekken,

aarom zouden wy ook niet aangedreven worden , om de wonderwerken van dien grooten Schepper’ met veel yver te befchou= B wen,

22 _Nataur- en Konft-Kabinet ; |

wen, daar wy byna de geheele Wereld zien toevloeyen,om te befchouwen, daar maar er= gens een konftig Werk{tuk van eén groot meefter vertoont word? Wy leezen, dat de grootíte Mannen onder de aloude Volkeren de bekende Deelen van de Wereld hebben doorgekruift ,‚ om de vreemde Natuurlyke Schepzels op te zoeken, te bezien en tedoor= fnuffelen. Zelfs onder de Vorften van on- zen leeftyd, heeft Lodewyk de Groote geen onkoften ontzien, om alles in verre Landen te laaten onderzoeken. Ik wil van de gehee= le Engelfche Natie en ândere braave Volkes ren niet eens reppen , deweike byna nooit ruften , maar altyd niet anders doen, als de Hiftorie van Natuur en Konft te onderzoeken,

EN De Hiftorie van Nituur en Konft, en de proefkundige Natuurkunde, zyn Weten- {chappen, dewelke nimmermeer konnen af= gewerkt worden door alle de geleerde mens Íchen, dewelke op dezen aardbodem leeven, of geleeft hebben, en noch zullen verfchynen; want behalven dat de Voorwerpen zo ontel= baar menigvuldig zyn, dewelke reets bekent zyn, en noch:bekent taan te worden, in:de „Koningryken der Dieren, Plantgewaflen , Mineralen, en vordere deelen vande Wereld en het bekende Geheel-al, benevens âlle de de handwerken ; ambagten , konften enz. zoïs moch daar en boven elk enkeld byzondêr Schepzel zo ryk van verfcheide hoedanighe- den en betrekkelyke vermogens en eigen- fchap-

january en February 1720. 23 fchappen, dat wy ons geheele leven konnen afwerken , in het gedurig en naauwkeurig onderzoek van een eenig Schepzel; daarom ‘hebben verfcheide groote Mannen niet ge- fchroomt , geheele Boeken te befchryven overeen eenig Natuurlyk Gewrogt. Plinius (a) verhaalt, dat T HEMi1SON, een vermaart Geneesheer , een geheel Boek gefchreven heeft over de Plantago of het weegbladt, an- derzins zulk een veracht gewasje, het welke wy byna overal aan de weg vinden en met onze voetentreeden. ANToNrus Musa, Geneesheer van den Keizer Auguftus, heeft een geheel boekje over het Kruidt Verozica gefchreven. Plinius (b) getuigt ook , dat AmrHyLocHus een geheel boek over het Her- ba Medica en de Cytifus gefchreven heeft, en de Koning Jura over een foort van .Nyzs-

bea, dewelke op den berg Atlas in Africa groeide. 14.

Als wy tot de latere Schryvers overgaan , Vinden wy een groot getal, dewelke in eene en- kelde zaak zo veel hoedanigheden, vermo- gens en eigenfchappen gevonden hebben , dat zy de moeite waardig hebbengeoordeelt, om geheele Boeken over een eenig Natuurlyk Schepzel aan ons-mede te deelen. Jonan- NES Mrcnaer FrEuR heeft een boek gefchreven over de Scorfonera, en ook een

B 4 ge

(2) Vid. Plinius Lib. 25. Cap.8. (4) Vid. Plinius Lib, 18, Cap.26.

24 __Natuur- en Konft-Kabinet ;

geheel boekje over den Alffem. Ook heeft Nricoraus CLAVENA een, boek gefchre- ven over de Scorfozera,. LAURENTIUS BauscHrus heeft een fraay boekje gefchre- ven over de Uniscornu Fofile. CASPARUS ‚BaugiNus van Bafel heeft een geheel boek gefchreven , alleenlyk overde Planten de- - welke de naam van dlfem draagen. Ook heeft die zelfde vermaarde Man een geheel boek gefchreven over de Ooft- en Wettindifche Bezoar-fleen. ‘Zo groot is de rykdom van een enkeld gewasje, dat dikwils verfcheide geleerde mannen over een eenig Plantje elk een boek uitgeven , om dat altyd genoeg overgelaaten word voor de naarftigheid der Nakomelingen. CrAuDIuS ROcARDUS heeft mede een geheel boek gefchreven over de verfcheide Altlems. Een enkeld konflge- wrochtje, uit een Plant of iets anders ge- maakt, is dikwils zo ryk, dat van deszelfs hoedanigheden met veel nut dikwils een ge- heel boek gefchreven kan worden. Op die wyze heeft BArTisSTA CODRONCHIUS een geheel boekje gefchreven over het vafte Zout, het welk uit den alffem bereidt word. Ni- COLAUS CLAVENA heeft ook een geheel boek gemaakt over de dbfinthium Umbelliferum, het welk waardig is geoordeelt om verfcheide- maal herdrukt te worden;en PoMrEyus SPREC- cris heeft zelfs noch aanmerkingen over dit Boek gemaakt. De rykdom van Natuur en Kontft is zo onuitputtelyk, dar elk onkundig Lezer, zich zoude verwonderen, en als op- getogen (taan, als ik aan hem maar eeoig-

zins

a

__Januaryen February 1721. 25 „ zins van dezelve een denkbeeld konde geven. Als wy in het onderzoek der Schepzelen ee- nigzins zyn bezig geweeft , komt het ge- ringfte {chepzeltje aan onzen geeft zo vol ryk- dom en verandering voor, als aan een on- kundige deze geheele Wereldkloot, met alles wat daar ín by hem bekent is. Wie zoude zich konnen voorftellen, dat een Man, zo groot als den Arabier Avicenna, een geheel boekje zoude konnen fchryven over de Stroop van zuuring? Aileenlyk over de Wz zyn een ovgelooflyk’ getal heerlyke Boeken ge- fchreveú. De vermaarde ANDreAS Bac- ius heeft een uitmuntend en groot Boek ge- fchreven over de natuurlyke Hiftorie van de Wynen van Italien, Duitfchland, Vrankryk, Spanjen, en vorder van de Wynen van ge- heel Europa, benevens de Wynen dewelke door konft gemaakt worden, als ook van de Bieren ; van dewelke ook JOHANNES HEN- ‚Ricus MeinoMmius, als ook van de vordere dranken dewelke dronkenfchap verwekken, behalven den Wyn,gefchreven heeft. Apr 1a- Nus TurNeEBus heeft mede een boekje in % licht gegeven over de Wyn..

ens 4 e.

dx pen |

De hoogachtbaare Rosertus Borre heeft in zyn eerfte Verhandelinge, dewelke wy te- genwoordig volgen , eenige weinige diergely- ke voorbeelden aangehaalt , om daar door de natuurlyke Hiftorie, de Hiftorie der Kon- ften, en de proefkundige Natuurkunde aan- genaam te maaken, en de armoede van de khan Bg School-

256 _Natuur- en Konft-Kabinet,

Schoolfche Natuurkunde hier door te klaar- der te ontdekken; om welke reden wy ver= fcheide voorbeelden van die zelfde natuur daar hebben bygevoegt , en voor de onkundige noch eenige zullen mede deelen, van Boe- ken, dewelke maar over enkelde zaaken met zeer veel nut en vol treffelyke ftof gefchre: ven zyn. De zelfde ANDREAS BAccius heeft ook een byzonder boek gefchreven over den Eland, en over deszelfs klauw, en deszelfs deugd tegens de vallende ziekte; ook noch een ander boekje over den Eezboorn, daar THoMAs BARTHOLINUS insgelykseen geheel boek over gegeven heeft. Maar op dat wy den onkundigen Lezer noch kragtiger den rykdom van deze wetenfchappen moogen aan- toonen , zullen wy maar eens wederom over- ‚gaan tot de Schryvers over de Wyn; waar door de Lezer val konnen gewaar worden de overvloedige ontdekkingen, dewelke van een eenig wezen konnen gedaan worden, en uit de menigvuldige Schryvers, alleen over de Weyn, konnen oordeelen, dat over elk na- tuurlyk Schepzel , of dik wils konft-gewrocht, een menigte van waarneemingen plaats heb. ben, en ontelbaare zaaken aangetekent kone nen worden.

1ó. ANTonmus GAzius, (a) een zeer oud Ge- neesheer, heeft in “t jaar 1491. al een boek

ge

_ a) Vid. Georg. Abrab. Mercklini Lindenias Renovatus.

sYanuaryen February 1721. 27 gefchreven over de. Wynen het Bier, hoewel my daár in de geheugenis valt, dat Claudizs Galeaus, een Prins onder de Geneesheeren, in het jaar na de geboorte Ghriftí 140. al een byzonder boekje over de Wyn gefchreven heeft; hoewel de Geleetde dit onder de on- echte boeken van Galenus hebben geftelt, Maar ARNOLDUS DE ViLLANOVA heeft al Kort na de Monnike eeuwen in het jaar 1360 alreets over den Wyn gefchreven. Aucus- TINUS GADALDINus heeft gefchreven over de Wyn en over het Wâter. CAROLUS STE- PHANus heeft een keurlyk boekje gefchreven over de verfcheide naamen , dewelke de Ou- den gebruüikten, van de Wynen, de Druiven de Wyngaarden , derzelver planting en oefe- hing; waar ùit de Leezer kan zien , dat zelfs de Taalkunde, gelyk ook meeft zelfs de an- dere Wetenfchappen, noodig zyn tot de waa- re betrachtinge van de Naruurlyke Hiftorie, van de Hiftorie der Konften, en van de proef. kundige onderzoekinge der Schepzelen. De voortreffelyke CoNRADUS GESNERUS heeft in % jaar 1540. een boekje gefchreven over de bereiding en toeftel der Wynen van ver- fcheide fmaák. GuirierMus GRATAROLUS, Een uittnunterd kender der natùurlyke Hifto- rie, heeft in ’t jaar 1$$o. een fraay boekje gefchreven over de Wyn, over deszelfs be- feidinge en gebruik , mitsgaders over alder- hande foort van Dranken; en in % jaar 1597. heeft MArcus CoRrNaCHinrus een Boek uir- gegeven over de Wyn en her Water enz. het welk hy opgefchreven hadde uit de leffen van

in

28 Matuur- en Konft Kabinet,

zyn Meefler, den beroemden Oudheids-ken=. der, Hieronymus Mercurtalts. JacoBus Hor= stTius heeft 1587, een boek gefchreven over de Wyngaard en deszelfs deelen, in het wel- ke gehandelt word van de onderfcheidenthe- den , het gebruik en de zelfftandigheid der Wynen, als ook van den Azyn, van de Ro- zynen enz. JOHANNES Cosraus heeft in’t jaar 1604. een boek gefchreven over den Drank, dewelke in de ziektens gebruikt mag worden , mitsgaders overde Wyn, en alle toe- bereide drinkbaare ftoffen enz. JOHANNES BAPTISTA CONFALONERIUS van Verona heeft in *% jaar 1535. een fraay werk uitgegeven over de natuur, gefteltheid, en medrcinale eigen- fchap van de Wyn, JOHANNES RascH van Weenen gaf in ’*t jaar 1580. een boek uit over de Wyn. Mauritius TiRELLus heeft in “ jaar 1630. uitgegeven een natuurlyke Hiftorie over de Wyn.

p 17

De waarneemingen, de ondervindingen ; de aanmerkingen, de omftandigheden, en de verfcheide foorten der Wyngaarden , der Wy- nen, en derzelver deelen, zyn zodanig veel- vuldig en onderfcheiden, dat de Lezer zich geenzins zal behoeven te verwonderen, hoe van zo veel geleerde en wakkere mannen elk een geheel byzonder Boek over de W y N heeft konnen fchryven, want elk verfcheide Landíchap brengt niet alleen zyne onderfchei- gentlyke Wynen voort, maar in elk Land- f een

January en February. 1721. 29 “_fchap brengt byna elke Hoef of Wynberg van een en dezelfde foort van wyn een aanmer- „kelyk onderfcheidt van geur en fmaak, en kragt en aart in dezelve; ook brengt elk by- zonder Luandíchap verfcheide hoofdfoorten van Wynen voort, gelyk uit het groot getal der onderfcheide hoofdfoorten van Fran{íche Wynen klaarlyk blykt; deze alle vereifchen nu haare byzondere oefeninge en voortkwee- kinge, alwaar noch by gevoegt kan worden, dat de Wyn (het welkedezelve gemeen heeft met elk natuurlyk Schepzel ) ontelbaare on- derfcheidentlyke betrekkelyke hoedanigheden heett, nadeverfcheide gebruiken, daar dezel- ve op word toegepalt, gelyk als ook weder- om van de Wyn verfcheide zeer aanmerke- Iyke zaaken worden voortgebragt en be- _reidt ; namentlyk de Wynfteen , de Wyn- moer, de Brandewyn, de Voorloop van ver- fcheide graaden, de Azynenz. Gelyk by voor- beeld, Puicippus JAcOBus SACHS heeft in't jaar 1661. een fraay natuurkundig, taalkun- dig, hiftorikundig , geneeskundig , en _{tof- fcheidkundig boek uitgegeven over de Wyn- gaard en. deszelfs deelen, als des wynftoks ranken, bladeren, bloeizel , wyngaard-bloedt, fcheutenen telgen, vruchten of druiven, van het onderfcheiden gebruik der Wyn, van de geeft van Wyn, van den Azyn, van de Wynmoer, van de Wynfteen enz. Pros- PER RENDELLuS heeft in ’t jaar 1626. een geheel boek sx folio gefchreven. over den _ Wynftok , den Wyn-oogft , en de Wyr, De

30 __Natuur- en Konft-Kabinet,

De grooteen vermaarde Kender der Plantges waflen , REMBERTUS DoponNzus, heeft ook een natuurlyke Hiftorie van den Wyn- gaardt, en vande Wyn,gefchreven in * jaar 1580. JacoBus PrarrEctus heeft in ’t jaar 1559. een boek gefchreven over de verfchei= defoorten van Wynen. PaMmPnirus HERILA- cus heeft in % jaar 1591. in ’t licht gegeven een beek ,overdeby malkander vergeleke uitwer- kingen vande Wyn en het Water, Nicoraus BarLTHASAR MERTZIuS heeft in’ jaar 1652. een boek gefchreven wegens de geneesmidde- len, dewelke van de Wyn konnen bereidt wor= den. ‘Uit welk alles genoegzaam blykt, welk een groot getal van Schryvers alleen over de Weyn gefchreven hebben. Bvaldien ik noch alle de overige Schryvers over de Wyn, als ook een ongelooflyk getal van Schryvers over de Wynfteen, over degeeft vande Wyn enz. bybragte, zoude zulks byna een geheel boek konnen uitmaaken, maar wy zullen ons we-= derom naden Heer Borre keeren,

18. Asir

De Heer Borre haalt eenige Schryvers aan, dewelke byzondere boeken gefchreven hebben over de Roos, over de Vlierboom, over de Vitriool, over de Zwavel , over de Zuiker, over de Hypericum, over de Nies= wortel, en over andere byzondere Planten, als KAREr ROSENBERG , MARTINuS BrocH- NITIÙS, ANGELUS SALA, PARACELSUS enz. „Maar als wy de byzondere Schryvers wilden op-

Januaryen February vo. 31 optellen , dewelke een matuúrlyke Hiftorie enz. gefchreven “hebben in enkelde boeken; over elk en een iegelyk Schepzel, zoude het getal elk eens vefwachtinge te boven gaan. De Heer Borre: verkieft, uit de Mineralen, de Antimony, om te:töonen, hoe. veel Schryvers vandezelve over die alleen elk een byzonder boek hebben gemaakt, en telt daar toe op Basirrus VALENTINUS, ANGELUS Sara , HAMERUS ' PopPiUs , JOHANNES Torpius , ALEXANDER VAN: SUCHTEN, Maar wy konnen daar noch by voegen Bar= TISTA CODRONCHIUS , BERNHARDUS, Gs PENoTus, GUERNERUS ROLFINCIUSS JacoBus GREVIUS, Lucas STEN= erius, onzen treffelyken: Amfterdammer ‘“THEODORUS: KERKRINGIUS ,‘ FRIDERICUS: HorFFMANNus over de Ginaber van de Anti- mony , en noch verfcheide andere groote Man- nen. Zelfs getuigt de Heer BOYLE , dat om- trent den Antimony verfcheide’ Geheime bes handelingen bekent zyn onder de Liefheb= bers, alsook dat hy zelfs zeer veel in dezelve- heeft laaten onderzoeken ‚zo omtrent het bes: reiden van een zuiver en vloeibaar Kwik zik= ver uit de Antimony, als een volkomen err brandbaare Zwavel. Ook heeft de Heer Boy le ondervonden, dat de bereiding van de Tinc-=: 3nar van het glas der Antimony door gedef=: tilleerde azyn, ‘na den trant ‘van Valentizas, _moeyelyk en laftig is , maar de Heer Boyle geef t een beter MENsTRuuM of vöcht om ‘op tst” ° loffen aan de hand, namentlyk de zúure geelt: * van fpaanfch groen’, dewelke een bloedtroo

Eine

32 Natuur-en Konlt-Kabinet tinuar uit het glas van Antimony trekt bin= nen weinig uuren; na dat de zuure geeft ver- fcheide maalen is afgehaalt, word over het poeder eindelyk brandewyn gegoten, dewel- ke door langzaame en warme uittrekkinge een roode koleur verkrygt.

19.

Om den rykdom en den overvloedt van elk patuurlyke Schepzel noch meerder te bevefli= gen, gaat de Heer Boyle van de Antimony over tot de MAGNEETSTEEN, over dewel- ke hy aanmerkt dat mede verfcheide Schry- vers met zeer veel lof en treffelyk gefchreven hebben. Om het:welke te beveltigen hy op= teltden Jefuit Kircuerus, den voortreffely- ken Engelfchman GirBerTeus, en den Jefuit CABEuS : daar wy by zullen voegen Basr= Hus Prinrus over de Magneetfteen, JoHaN- NES JACO&us SWEIGKHARDUS Over de na- tuur, kragten en verwonderens waardige uit- werkingen van de Magneetfteen, M. Le r- DECKER wegens de variatie van de Mag- neet(teen ; behalven noch verfcheide andere Schryvers, proeven en waarneemingen, de-: welke gedaan zyn door de Koninglyke Maat- fchappyen van Vrankryk, Engeland, en ver= fcheide in Italien en Duitfchland. Zelfs heeft de Heer Boyle verfcheide proeven over de Magneet{teen gedaan , onder anderen eene, dewelke wy hier zullen aanmerken. Jk nar, zegt hy, een langwerpige Magneetfleen, de- welke roodgloeyend gemaakt was , enikbevondt

dat in zeer weinig minuten al zjn aantrek- kend

SJannary en February 1721. 23

kend vermogen zo zeer verloren was, dat ik daar van niet zonderling meerder konde ge- waar worden, De Heer Boyle geeft deze waatneeminge niet als nieuw, en door hem gevonden , maar voegt by dezelve zeer aan- merkelyke omftandigheden , dewelke voor dien tyd niet zodanig bekent waren, nament- lyk dat de Heer Boyle, terwyl de gloeyende Magneet wederom verkoelde, de reden uit- vondt, om de Pools- eigenfchap wederom aan de uiterfteeinden des Magneets te verwek- ken , zodanig als het aan hem behaagde, mer dezelve vaardiglyk te beweegen boven de in evenwigtigheid geltelde naald; waar door de pool des magneets gedurig na believen kan verandert worden, dat is, de zuider pool in de noorder pool, en de noorder pool in de _zuider pool vice verfa; zo dat het einde des Magneets , het welk was de zuider pool , binnen den tyd van een vierde part van een uur gemaakt wierde tot de noorder pool enz. - By deze waarneeminge merkte de Heer Boyle noch aan , dat deze verandering van pool nict alleen verwekt wierd, als juift de {teen gehouden wierd recht zuiden en noorden , maar zelfs al wierd de (teen; onder de ver- koelinge, perpendiculaar , dat is van de fterren naar het middelpunt der aarde , gehouden. Omtrent de Magneet zyn zo veele waarnee- mingen en proeven aan te {tellen , dat dit ver- wonderens waardige gewrocht der natuur iin oi afgewerkt zal konnen wor- en.

V. Deer. G Het

34 __ Natuur- en Konft-Kabinct,

20.

Het is aanmerkens waardig, dat de rykdom van verwonderens waardige cigenfchappen, vermogens en hoedanigheden, niet alleen ge- vonden word in de aanzienlyke fchepzels of natuurlyke gewrochten, maar zelfs ook in de geringfte en alderveracht{te wezentjes, en dat dikwils zo zeer, dat Plinius, daar hy van de Znfetten {preekt , met verwondering ge- tuigt,dat de Natuur nergens meer compleet is als inde alderkleinfte dingen; en hetfíchynt, dat de Schepper zyn grootheid dikwils nergens meerder doet uitmunten, als in de alderge= ringfte en afgelegenfte kleinheid. Hoe opge- blaazen Paracelfys ook was, fchynt het ech- ter dat hy noch geen afkeer gehad heeft, om met veel aandacht over de verborgentheden der Wurmen te fchryven ; en de Heer Boyle oordeelt , dat hy met veei meerder oprechtheid als andere over die zaak gefchreven, en zeer goede middelen aan de hand gegeven heeft. De Heer Boyle heeft zeer goed gekeurt de wyze, door dewelke Paracelfus in dat Zrac- taat de luyheid en de trotsheid der Genees- heeren wakker doorftrykt, en wel voorna- mentlyk die laage en lafhertige geeften, de- welke het naarftig onderzoek der Natuur niet alleen verachten , verfmaaden en uitlachen, maar zelfs de vruchten en heerlyke uitvindin- gen van andere, door zwaaren arbeidt verkre- gen , en ‘aan hun mildadiglyk voorgeftelt , Oondankbaarlyk en met verwerpinge befpot- ten en doorftryken, daar ondertu{lchen niet

cen

January en February 1721. 35

een eenig Schepzel, hoe gering, veracht, en morzig het zelve ook fchynen mag, van Godt gefchaapen is, ct-het zelve kan dienen tot nut en heil’, of gebruik voor den menfch. _Zoude het niet zeer onbetamelyk zyn, dat wy onwaardig zouden oordeelen om te ken- nen, het geen Godt waardig geoordeelt heeft om te fcheppen? De groote Boyle achte zich zeer gelukkig, dat hy de edelmoedigheid in zich bevondt, van niets te gering voor zyn naauwkeurig onderzoek te achten; hy (telde een groote eere, om met zyn eigen handen dagelyks te ontledigen honden, wolven’, viffchen, ja rotten en muizen , en gedurig om te vroeten in den leem en de afch van zyneftook-ovens, en het vuur en de koolen als anderzins vlytiglyk zelfs te behandelen,

2

De Heerlykheid, uitmuntendheid, en het vermogen van de natuurlyke Hiftorikunde , van de proefkundige Natuurkunde, en de wetenfchap der Konften , is volkomen zon- der wederga; want niets is byna op deze we- reld fraay en aangenaam, en tot dienftig ge= bruik der menfchen , of het is door deze we- tenfchap voortgebragt. Als Adam , die de Natuur, benevens alle deszelfs aanzienlyk- fte, {chepzelen in haar eenvoudigheid gezien heeft, eens opzag, en alle de verwonderens waardige konftitukken , veranderingen, oe- feningen „ bereidingen , en voortreffelyke nieuwe gedaantens $-dewelke voortgebragt zyn door deze wetenfchappen der Natuurkundigen Ca en

36 _ Natuur- en Konft-Kabinet,

en Konttenaaren, zoude hy niet gelooven ín een tweede en nieuwe of hervormde wereld te zyn? Welk een kragt en vermogen zet de konft der menfchen zommige geringe fchep- zels dikwils niet by? Neemt tot uw voor- beeld het zeer geringe poeder, namentlyk het buskruid, een zamenmenging van houtskool, falpeter, en zwavel; worden door het zelve geen konftige donders en blixems verwekt, al- derhande fraaye vuur werken bereidt geheeleSte= den en Koningryken omgekeert, en geheele Wereld-deelen overwonnen? Toen de India= nen de Spanjaarden in Weftindien eerft ont- moeteden, baden zy hen aan als Goden, de- welke den donder , blixem , het weerlicht, en het onweer in hun geweld hadden, en geheele Legers van hondertduizende weerbaare en ftrydbaare mannen gaven zich over aan eenige zwakke en vermoeide Spanjaarden , alleen door de fchrik voor {hun vuur-fpou- wend en fchrikkelyk geweer. Als wy eens aanmerken het gebruik, dat wy door dekonft en kenniffe der zaaken van geringe dingen maaken , moeten wy dan niet verwondert ftaan over deze heerlyke wetenfchappen , door de kenniffe, dewelke wy van een ftuk- je yzer, geftreken aan een fteen , hebben ver- kregen door de proetbevinding? Vaaren wy niet met onze fchepen door den ontzachelyken en onmeetelyken Oceaan , daar onze aaloude Voorvaderen voor fchrikten, en ontdekken ontelbaare Landen, Steden en Volkeren’, daar wy gemeenzaamlykAan de andere ein- dens der Wereld mede verkeeren, en een nut- tige

January en February 1721. 37 tige en voor alle menfchen dienftigen handel dryven? Hoe zeer aan ons de befchouwin- gen en het naauwkeurig onderzoek der Schep- zelen, de grootheid en de heerlykheid Gods openbaaren, heeft onder andere groote Man- nen ons onlangs geleerdelyk aangetoont den zaligen en geleerdenHeer BERNHARDUS NiEU- WENIYDT, in zyne Wereld-befchouwingen. Door zulke overweegingen leeren wy, datde Hemelen de heerlykheid en den roem van Godt vertellen, en dat derzelver Uitfpanzel aanwyft het werk zyner handen: van welke heerlykheid hy ook gewilt heeft dat wy be- fchouwers en getuigen zyn ; daarom heeft hy den menfch geftelt over de aarde en alles wat

daar in is, over de vilichen van dezee, over

de vogelen des luchts, en over al het krui- pende gedierte, en heeft aan dezelve daar toe vermogens en bekwaamheden uitgereikt; hy heeft voor hen gefchaapen groote lichten by dag en by nacht, op dat zy niet in het duifter zouden werken, maar hunne Heerfchappy en kontt omtrent de Schepzelen dezer wereld zouden oefenen , en van dezelve ook hua nut en dienft genieten ; want Godt heeft alles ge- fchaapen tot zyn roem en heerlykheid , en tot dienit en gebruik der menfchen : gelyk zulks byna zelfs alle Heidenfche Wysgeeren, van wat Sede zy ook moogen geweelt zyn, door de kragt van hunne redeneeringe (zon- der eenige openbaaringe geholpen) ontdekt, en door het natuurlyk licht gezien heboen. ien Ik geloof niet, dat ook eenige weten{chap- ve Spe pen

+

33 __ Natuur-en Konft-Kabinet,

pen zo kragtig zyn, om een menfch op te wekken en aan te fpooren, tot het oefenen van zyn noodzakelyke en alderuitmuntendfte pligt, namentlyk de Godsdienft, als de ken- niffe der natuurlyke Hiftorie, der proefkundi- ge Natuurkunde, en der Konften enz. want zy dwingen hem, door ’t ontdekken van zo veele wonderen, zich over de grootheid van den grooten Schepper en Onderhouder van dezelve gedurig met ontzagh te verwonderen, en door ‘t gewaar worden van zo veel nut, en heil en dienft, als in dezelve is voor de menfchen, dezen Schepper te beminnen en te danken, en door ’t gezicht van het gedurig Onderhoudt, het welke den Schepper aan de- zelve gedurig oefent, hem te bidden en aan te roepen tot deszelfs gedurige volhardinge ; en dewyl zy door de kennifle der konften en handwerken ontdekken , welk een nut en dienft zy daar door van hun evennaaften ge- nieten , worden zy, als zy niet (gelyk als hedendaags veele) door latheid en onkunde dwaas zyn geworden, aangenoopt huu even- naalten daar voor lief te hebben, en hem te danken en wel te doen. Maar gelyk als niemant ook zal ontkennen, dat zonder de geopenbaarde Godtgeleertheid en Godsdienft , de Kennifle Gods, en de wyze om hem te dic- nen, zeer gering en onbekwaam is, zyn wy verpligt om dezelve door een naarftig en voor-= zichtig onderzoek uit de Heilige bladeren te achterhaalen; en dewyl in de Heilige blade- ren zeer veel natuurlyke zaaken en konften worden voorgeftelt, blykt aan een iegelyk

zeer

Jannary en February 1721. 39

zeer klaar de noodzakelykheid en nutheid der natuurlyke Hiftorie , der proefkundige Na- tuurkunde, en de kennifle der Konften, om door dezelve een groot gedeelte van zaaken uit de Heilige bladeren uit te leggen , op te helderen ,en wel te leeren ver{taan. De Geeft Gods heeft zelfs gewilt, dat aan den men- fche bekent zoude gemaakt worden de natuur- Iyke Hiftorie „, dewyl Mofes zyne boeken be- gint met de Scheppinge, en een befchryvinge van de geheele wordinge van de groote Na- tuur; behalven een ontelbaar getal van dier- gelyke natuurlyke zaaken, byna overal in de Heilige bladeren vervat, en dewelke wydoor onze naarftige onderzoekinge en de kragt van onze redeneeringen zeer wel konnen leeren - verftaan. Alle de plaatzen , daar in de Schrif- tuur gefproken word, van het Water, van de Zeeën, van de Rivieren, Bronnen, Fontei. nen, van de Viflen, en vorder van alles wat _ het water betreft; van de Aarde, van des- «zelfs Plantgewaflen en dieren; van de Me- taalen en Mineralen; van de Lucht en des- zelfs verhevelingen, en vogelen; vande Zon, de Maan, de Sterren, derzelver beweegin- gen, licht en duifterheid ; van de Konften, Am- bagten , Konftftukken, en diergelyke ; wat dunkt u Leezer, zoud gy dezelve konnen be- grypen en wel verftaan, zonder behulp vande patuurlyke Hiltorie, kennifle der proefkun- dige Natuurkunde, en de Hiftorie der Kon- ften, Ambagten , Handwerken en Konfige- wrochten? Behalven dit alles is byna de ge- heele Schriftuur vervult met zinfpelingen en G ,

sen

49 _Natuur- en Konft-Kabinet,

gelykeniffen, dewelke ontleent zyn van de eigenfchappen en hoedanigheden der natuurly- ke fchepzels;waarom dezelve nimmermeer wel konnen uitgelegten verftaan worden, zonder de naauwkeurige kennifle van die Schepzels zelfs, van dewelke deze zinfpelingen en ge- Iykeniffen ontleent zyn.

23.

De Heidenen, en Se Volkeren, de- welke door het ontbeeren van de goddelyke Openbaaringen, Godt niet hebben konnen ontdekken, als door zyn gewrocht en het werk zyner handen, namentlyk het Geheel- al, met alles wat daar in gevonden word, moeften wel een zeer ontzachelyk denkbeeld vormen van de grootheid en magt van dat onbe- grypelyke Opperfte Wezen, zo ras zy hun aandagt lieten gaan op de verwonderens waar- dige fchepzelen, dewelke door haare onme- telyke uitgeftrektheid en grootte, al de kragt van hunne inbeeldinge te boven gaan. Want fchoon de verbaazende grootte der Olifanten en der Walviffen zommige bewogen heeft, om dezelve beweegende bergen en dryvende eilanden’ te noemen, koomen deze in geen aanmerkinge in vergelykinge by dezen ont- zachelyken aardkloot. Maar welk een ver- baasmaakende klomp deze ook vertoont, is dezelve maar een (tip in vergelykinge van den onmetelyken Hemel, in dewelkedezelve op een onbegrypelyke wyze in een evengewigt hangt en bewogen word. Wat is dog den Aardkloot in grootte by het lichaam van de Zon,

berde tien add nd

hae Oe

January en February 1720. ár

Zon, dewelke (hoe klein dezelve ons voor het oog ook mag toefchynen ) volgens de rekeninge van de Navolgers van Ptolemeus, hondert en zesenzeftig maal grooter ís als den Aardkloot dewelke wy bewoonen , en dat dezelve van ons afgelegen ís hondert en vyf- enzeltig halve aardkloots diameters ; welke afftand niet eens in aanmerkinge komt by die der vafte Sterren en derzelver onmetelyke en on- inbeeldelyke grootte, dewelke by de Navol- gers van Copernieus zo onmetelyk groot en verafgelegen geftelt worden, dat ik derzelver Hypotbefts- hier niet zal aanraaken, om niet in onguntt te geraaken by al te geftrenge Lie- vers; te meer om dat het genoeg is, dat wy daar uit klaarlyk doen zien, dat deze gehee- len Aardkloot: maar een kleine ftip is by de grootte en de ruimte van het Geheel-al, en daar uit leeren, alleen door onze natuurlyke redeneeringen, gelyk voor dezen de Heide- nen, de Grootheid en de Magt Gods.

24.

Gelyk als wy, door een aandachtige be- fchouwinge van de groote en onmetelyke Natuur, leeren de grootheid en het onbegry-

_pelyk vermogen Gods, ontdekken wy ook

door dezelve, en door de wetenfchappen de- welke wy tegenwoordig onze Landslieden ten hoogften aanpryzen, gelyk den grooten Borre (zonder vergelykinge van Perfoonen

aangemerkt) wel eer zyne Engelfche Laands-

genooten , de ondoorgrondelyke Wysheid Gods. Een man moet een onnatuurlyke Cs dom.

42 _ Natuur. en Konft-Kabinct,

dommekragt zyn, die, zoras hy of het gehee- le zamenftelzel van het Geheel-al, of maar eenige van de Schepzels, dewelke daar in ge- vonden worden, aan zich zelven voor oogen ftelt, daar niet in ziet het Goddelyke beleidt, de Wysheid van den Schepper, en verfcheide eindoogmerken , dewelke Godt met de fchep- zels voorheeft. Als wy de byzondere eigen- fchappen, hoedanigheden en vermogens der byzondere fchepzelen, door waarreemingen en proeven naauwkeurig onderzoeken, en de betrekkelyke vermogens en hoedanigheden , dewelke de {chepzels op en, onder malkande- ren bezitten en oefenenen, ftaan wy datelyk vol verwonderinge en als opgetogen, over de fchikkinge van derzelver deelenen aart, door den wyften Schepper, Werkmeefter en On- derhouder zodanig gefchikt. Deze fchikking en wonderbaarlyke gefteltheid is zo vol wysheid, dat ik niet bekwaam ben (al bezatik het vermo- gen tot overtuiginge van alle de uitmuntendfte pennen der doorluchtigfte ‘Schryvers tot een gebragt ) daar van de alderminfte {chets te kon- nen doodverwen voor de onbedrevene. De grooten overvloedt der Dieren, zo viervoe= tige, kruipende, als vogelen, als ook dieder viflen , Zafecten, plantgewaflen, kruiden, vruch- ten, bloemen, zaaden, harften en gommen,

der Meraalen, Mineralen, Steenen, Zee-ge- waflen ‚der Sterren, en vorders Hemel en Aar- de, gaat de verwachting en de inbeeldingete boven ‚ gelyk ook derzelver konfiige zamen- ftellingen enz. Alieenlyk op debefchouwin-

ge van een menfch, en het onderzoek van de vafte

January en February 1721. _ 43

vafte en vloeibaare deelen van zyn lichaam, en derzelver welgefchikte overeen (temmin- ge, zamenloop, en wederzydze hulp, totelk byzonder gebruik en uitvoeringe, zyn duizen- de van Axatomiften en Natuur-onderzoekers op afgewerkt. De Ziel des meníchen, des- zelfs eigenfchappen , vermogens ‚ hoedanig- heden „en verkregehebbelykheden , zyn ontel- baare jaaren lang de verwondering en de betrag- ting geweelt van duizende Philofophen , zonder dat noch toe iemant van hun allen zo veel heeft konnen achterhaalen , dat hy de minfte reden heeft gehad,om over zyn moeite volkomen vol- ‘daan te zyn. Voorwaar Lezer, de uitblin- kende Wyshzid Gods blykt ons zo klaar , en word zo groot, door het proefkundig on- derzoek dezer dingen, dat ik aan de groot- heid dezer zaaken veel te kort doe, dat ik, door van dezelvetefpreeken, iets by U meen te konnen voldoen. Treedt zelfs in deze Kabinetten der Openbaaringen, en gy zult de dwaasheid en zotheid datelyk beklaagen van deze wereld, in dewelke wy tegenwoordig … Teven, en die door verzuim dier dingen van ‚__ Ongodiften krielt , en van dag tot dag ongeluk- kiger word. Gy zultden almagtigen en wyzen Godt overal in gewaar worden, ontmoeten, zien,en hooren fpreeken , door ontelbaare mon- den van zyne Schepzelen , dewelke van hem ge- tuigen; gy zult u nimmer kreunen, of in uw ge- loof verzwakt worden, al hoort gy in openbaare gezelfchappen , met de onbegrypelyke verhaalen van Mofes,van de Propheten, Apoftelen, en van de Heilige bladeren, op verbloemde en bedekte ma-

44 __Natuur- en Konft-Kabinet,

ren fpotten; gy zult denken, al hadden wy de rechte Schriftuur ( gelyk- de Saraceenen den Chriftenen ongegrondt te laft leggen ) ver- loren, enal waren onze overleveringen niet echt, enal konden wy door de redeneeringen, zonder de openbaaringe aangemerkt,de Opttan- dinge na dit leven niet bewyzen, ontdekken nochtans myne dagelykfche bezigheden,gezich- ten en heerlyke bevindingen, aan my de godde- Iyke beftieringe en heerfchappy over alle de fchepzelen,over al myn doen enlaaten, geluk en. ongeiuk in dit myn tegenwoordig leven. Om welke reden de onbedrevene en welluf: tige Godtverzaakers u dit ftuk niet konnende ontweldigen, zy ook te minder kragt zullen hebben, om uw geloof te verzetten omtrent de onbegrypelyke zaaken, dewelke in Gods Heilig Woord , door Mofes, de Propheten, de Apoftelen enz. verkondigt worden.

25.

____ Gelyk als nu de Wysheid Gods aan elk naauwkeurig onderzoeker openbaarlyk uit- blinkt, in de verwonderens waardige zamen- ftelling en gefteltheid van het Schepzel, het welk wy de naam van Menfch geven , moe- ten wy daar niet uit befluiten, dat minder wysheid opgefloten legt in de fchikkinge en zamentftellinge van de aldergeringfte en ver- acht(te fchepzeltjes; en gelyk als Protagoras uit een byna onzichtbaar (treepje het werk van Apelles konde onderfcheidenen kennen, heeft Godt zyn alwetende Wysheid dikwils , meeft doen uitblinken in de onzichtbaare en kleinfte diertjes. Om het welke met over- tui-

_Fanuaryen February 1721. 45

tuiginge te gelooven, of liever te weeten en te kennen, ik den Lezer tot het aanleggen der Proeven door de vergrootglazen wel met veel ernft zoude aanraaden 5 want alfchoon door de treffelyke Heeren, LEEUWENHOEK, Hooke, Rep: , en veel anderen , omtrent deze zaaken zeer veel ontdekt is, zyn noch zo veel ontdekkingen door dezen weg voor iemaat , dewelke op een bekwaame wyze werkt, te doen, dat wy tot noch toe naau- welyks konnen zeggen , dat wy begonnen hebben. Wy moeten als opgetogen van ver= wondering ftaan, als wy ontdekken dat een diertje, als een myt van een kaas, of zelfs noch ongelooflyk veel kleinder, zo veelder- hande leeden. en deelen, en in alles zo vol- maakt heeft als een Olyfant , van dewelke Gaflendus getuigt , dar eenen gewogen heeft vyfduizend ponden Roomfch gewigt; het welk zelfs noch niet eeus haalen kan by zom- ‚mige zeer groote Olyfanten, dewelke gevon=- den worden in Africa,of in de Landen van _ den grooten Mogol, of in Stam, Pezu, en elders ; hoewel deze onder de dieren van grootte wederom niet eens re pas koomen in grootte by een Walvifch, daar hondert kwar-= teelen {pek van gefneden worden, of by an- dere monflreufe en groote Vinviffen.

26.

Gelyk wy de grootheid en de wysheid Gods overal in de Schepzels ontdekken , blinkt ook nergens meerder uit Gods liefde en goedheid voor den menfch, als in de

Schep-

46 __Natuur= en Konft-Kabinet,

Schepzels, voornamentlyk als wy acht geven op het nut en het gebruik , het welke wy van dezelve dagelyks genieten ; want behal- ven dat wy ons dagelyks broodt, voedzel, dekzel, en duizend vermakelykheden en nut- heden van de fchepzels genieten, is het ver= wonderens waardig, als wy letten op den grooten dienft, dewelke wy van de Natuur en de Kontft verkrygen. De Kontft leert ons een ftukje koper van een vierde deel van een pond of noch minder, het welk ons overal, waar wy gaan of (taan,voor klok , uur-dag- mi- nuit-en maan-wyzer dient. De Konft doet ons overmeefteren en bedwingen dewelke duizend maal fterker en vlugger zyn als een menfch 5 zy doet ons met vleugelen van zeiidoek vlie- gen door den woeften Oceaan, van het eene gedeelte der wereld tot het andere, ot doet ons op gezwinde paarden of met {nelle wielen van het eene einde van Europa tot aan het andere dikwils ryden in weinig weeken; zy doet ons met malkanderen verkeeren en fpree- ken door de letterkonft, fchrytkontt, druk- konft, fchoon wy duizende mylen van male kander af zyn; zy leert ons de Sterren, en de beweeginge van Zon, Maan , Pianeeten en Satellites, onderfcheidentlyk kennen ; zy doet ons de voorlede en gebeurde zaaken door Schildery,Printkonft,Beeldhouwerskonft, Drukkonft enz. vertegenwoordigen, zo wel als de Gefchichtkunde;zy bezorgt ons wooningen, pragtige palleizen, tuinen, fonteinen , wa- tervallen , bloemperken , alderhande in en buitenlandfche vruchten , boven , Je

er-

dn ndnednadnnea eS

January en February 1721. _ 47

ftergewallen , en kroont onze landen met al- derley graanen,en alderhande groene levereyen; zy verciert ons lichaam op duizenderley ma- nieren, en komt ons te hulp door gemakke- lyk en konftig huisraad ; zy is zo mild in het uitreiken van haare gaven, dat ik een geheel boek zoude fchryven, als ik haare giften maar flechts met de enkelde naamen wilde optel- len. Het geringfte diertje tracht zyne gaaven aan ons uit te reiken; by voorbeeld , de zyde- worm verfchaft ons koftelyke zyde klederen , damaften, fluweele ftoften , en alderhande geeltige fabryk; de wol der fchaapjes geeft aan ons heerlyke lakenen en veele uitmunten- de ftoffen ; de Plantgewaflen geven ons Ka= toenen, Lywaaden, fyne Neteldoeken,en alder= handeftoffen. De aldergeringfte diertjes geven ons de heerlykfte concenilje-en carmyn-k oleu- ren.Elk fchepzel reikt aan ons uit geneesmidde- len tegens onzeziektensen gebreken. De Hou- ten , Metaalen, Mineralen , geven aan ons verfftoffen en fchilder-koleuren. Steenen, dewelke wy van buiten naauwelyks willen aanfchouwen, leveren aan ons de flikkerende diamanten , met recht het onderaardfche licht. ard Niet regenftaande de kenniffe en betrach- ting der Natuurlyke Hiftorie, der proe{kun- dige Natuurkunde, en het naauwkeurig on- derzoek der Konften, Handwerken en Am- bagten , van zulk een uitmuntende nutheid en groot gebruik isvoor het menfchelyk geflacht, Vinden wy nochtans zeer veele menfchen, die de betrachtinge dezer Wetenfchappen onver- geef=

45 __Natuur- en Konff-Kabinet ;

geeflyk verwaarloozen, en zommige zo bale daadig, dat zy dezelve verachten, en te ge- ring achten voor hunne hooge Perfonagien; het welk dikwils nergens door veroorzaakt word, als om dat zy door de vlyt van hunne Voorouderen, dewelke door de naar{tige be- trachtinge dezer wetenfchappen, en de oefe- ninge van dien , groote fchatten vergadert hebben , en aan deze hunne ontaarde Nako- melingen dikwils te veel geld hebben nagelaa- ten, van het zorgen voor hun beftaan ontflagen zyu; waar door zy geworden zyn luy, welluttig, pragtig „dom, trots, verwaand, iz/olent, kwa= lyk opgevoedt, ten uiterften onbeleeft en onbe- fchaamt, en zonder kenniffe van vruchtvoort- brengende Godsdienft, van goede Letteren of Wetenfchappen , en opgevult met kwaade en fchadelykegevoelens, en ziels- en lichaams- en zamenwoonings-bedervende, en de goede ordre van zommige geheele Landen, en oefening van alle goede zeden overhoop wer- pende meeningen. Daar in tegendeel de hoogwaarde Robertus Boyle ( dewelke ze- kerlyk meer wysheid en rechtfchaapen oordeel alleen gehad heeft, als al dit bedurven ruigt met malkander ) oordeelt, dat geen menfch vermag, deze wetenfchappen te verwaarloo= zen, ik zwyg verachten; dat door de ver. werpinge van dien de eere Gods te kort ge- daan word, dat wy de werken Gods niet zo maar ter loops en onachtzaamlyk , maar

zeer naauwkeurig, vlytig ennaarfliglyk moe- …—

ten befchouwen , betrachten en onderzoe- ken , om daar uit te leeren de grootheid , magt ;

Z

ed

'

Jannary en February 1720. 49

magt, wysheid, milddadigheid, goedheid en

liefde. Gods; op dat wy, opgevult van ver- » wondering en dankbaarheid, een godsdienftig

en goed gebruik van alle giften en gaaven zouden konnen maaken. Wy moeten de fchepzels en de gaaven Gods niet bezien, ge- „1yk als of wy een fpulletje of een vertooningtje

op een Schouwburg , of een goochelwerkje uit maar enkelde nieuwsgierigheid bekeeken À omtrent dewelke wy gewoon zyn maar f4- perficieel onderzoek te doen, op dat wy ons tebeter, door den uiterlyken fchyn en bedrie- gelyken op{imuk bedrogen, gelyk als dwaaze narren zouden verwonderen; & Neen! De Werken Gods moeten tot in haare diepfte en afgelegenfte vertrekken bezien worden ; want dan komt derzelver heerlykheid , en verwonde- renswaardige grootheid en f{choonheid, eert recht te voorfchyn; en dan worden zy eerft de kragtige getuigen van de almagtigheid , grootheid, goedheid, liefde en wysheid Gods. Ende waarlyk, zegt (a) Jor, vraagt dog de beefben, ende elk een van die zalt u leeren 3 ende het gevogelte des Hemels dat zal ’t nu te kennen geven. Ofte Spreekt tot de aarde, ende 3 zal u leeren; ook zullen ’t u de wiflcher der Zee vertellen, Wie en weet niet uit alle

_ deze, dat de hand des Heeren dit doet?

He 13 2261

_ Behalven dat de Wetenfchappen (dewelke ik in het Natuur-en Konft-Kabinet aan my= ne goede Landslieden, met al myn hert en

_ Vermogen tracht aan te raaden) zo oneindig

Deer. D veel (a) Ziet Fob, Kapittel XII, vers 7,8,9.

so __Natuur- en Konfs-Kabinet ;

veel nut den menfcheaanbrengen, vertrekken „zy ook , tot fchaamroodwordens toe , tot wederlegginge der belachelyke en onnozele Ongodiften ; want deze eigenwyze en oner- varene geeften, dewelke zich zelven de naam van Efprits forts geven, worden in kenniffe van zaakelykheden altyd onbedreven bevon- den ; hunne Natuurkunde is geen Natuur= kunde , maar een opftapeliug van ydele en valfche meeningen, geboren uit een poppefpel van harflenfchilderyen , en beftaat alleenlyk in afgetrokke denkbeelden, die verziert, en niet van de zaaken zelfs verkregen zyn. Zy konnen in ontelbaare SeZens verdeelt wor- den, na de verfcheide School-wysbegeertens, dewelke zy aankleeven, dat is, na de ver- fcheide Principia of Elementa hypothetica ( onderftellende Beginzelen) dewelke hunne Meefters verziert hebben, en na welke Alge- meenheden zy op hun wyze in het afgetrok- ken de groote Natuur, met alle haare Schep= zelen en derzelver verfchynzelen, zo zy dwaaslyk meenen, uitleggen, gelyk de Hypo-

chondrraci en Narren in ’t Laazarus-huis aan -

ons hunne vertellingen uit hunne vifioenen mede deelen, en met veel geraas trachten te beduiden. Behalven dat deze opgeblazene en van eigenwysheid ftinkende Weetnieten, met hunne uitlegginge van de geheele Natuur, en alles wat daar in is, niets ter wereld uitleg- gen , gelyk als zulks inderdaad door proef= bevindinge gevonden word, beletten zy noch daar en boven de Leerlingen den voort- gang in de wezendlyke en waare kennifle der

â-

January en Februaryiyzo. pr Natuurlykedingen , daar gearbeidt, maar nict gedroomt moet worden; en zy zyn de oor= zaak, dat alle wetenfchappen, daar zodanig it harffenfchildery indringt, om kwanzuis op te helderen en uit te leggen, daar door verandert worden, al haar zakelyke kennifle

‘verloren word, en mede in har{len{childeryen

hervormt word ; en dat dikwils de geheele wetenfchap van een Land in een dwepery, en de geleerde ín ydeltuiten en patroontreks kers van fchaduwen en harffengedrochten veranderen ; waar door zulke ongeleerde Ges leerden, en onphilofophitche Philofophen, dé Natuur, de Schepzels, en alles zo licht kon= nende uitleggen , en de geheele Natuurkunde op hun duimtje hebbende,en zelfs aan de domfte leerlingen in eenige weeken konnende leeren, alles voorby zien,en nietsgewaar worden, van de Wonderwerken Gods, dewelke door de proefkundige Wysbegeerte in de Schepzelen ontdekt worden, en zy eindelyk tot ongeloof vervallen,‚om dat zy op die wyzeGodt niet kon= nen zien,noch óntdekken uit zyne Schepzels erì

_ verwonderenswaardige konftttukken ; en om

dat by noch onkundiger zodanige Naamphie lofophen voor waare Natuurkundige geleer= den gaan, word dikwils de waare Natuurkunde een blaam aangewreven, als of het onderzoek der groote Natuur, en van deszelfs Schep- zels, den weg baande tot de Afgodiftery , daar juift altyd het tegendeel bevonden

„word; want wy vinden geen menfchen, de-

welke de vrye Heerfchappy Gods meerder Yerdedigen, en de waare Godsdienft inwen- Da dig

sz __Natuur= en Konff-Kabinet,

dig meerder aankleeven, als de waare, dat is, de proefkundige onderzoekers der Natuur de Navorfchers van de Natuurlyke Hitorie, en de yverige en doordringende betrachters van de Konften, het welke de eigentlyke Ef- prits forts en de groote meelters der wezend- Iyke , zaakelyke en nuttige wetenfchappen zyn ; gelyk gebleken is aan den hoogwaar- digen. Robertus Boyle , dewelke in Engeland een jaargeld heeft gegrondtveft by uiter{te wil« le; waarvoor eenige geleerde Hoogleeraaren gehouden zyn jaarlykfche oefeningen in % licht te geven, tot wederlegginge der Ongo- diften.

29.

Ik heb menigmaal het vermaak genomen, | van aan zommige van de onderftellende en droomende Uitleggers der Natuur, imetalles , (si Dits placet)wat daar in is, geringe verfchyn= | ‘zels der {chepzels voor te ftellen , maar nergens gevonden meerder eigen wysheid en verwaand- heid , nergens doodelyker onwetendheid , ; nergens. grooter onbekwaamheid om te lee- ren, en op den rechten onderzoek-weg te geraaken, nergens handeloozer fchepzels, en onbekwaamer werkmeefters in het aanleggen | van proeven, dewelke zy dan al wederom en na hunne bypotbefis verdraait uitleiden , tot dat ik hun dikwils de waarheid „_terwyl zy de ftoffen zelfs behandelden, tegens hunne onderftel= | linge en tegens hun neus deed opftuvren. Dat deze menfchen in de uiterfte blindheid houdt; | en belet om dik wils nooit te recht gebragt te |

|

Wwor-

ad

Janmnary en February 7at. $3 worden, is,dat zy de groote proef-bevinden- de Onderzoekers der Natuur na-aapen ; zy doen ook proefjes, Ô ja: zy gebruiken ook de luchtpomp van Boyle en zommige werk- tuigen; zy zyn ook Chymiften, weldegelyk: zy hebben een Compleet Dettilleer-furnuis, een Cartefiaanfche Luaamp , een toverlanta-

„ren, watermannetjes, luchtweegertjes ; zy

konnen alderhande watertjes deflilleeren, al- derhande tiz&uurtjes en elixertjes maaken ; zy gebruiken vergrootglazen , en leeren zelfs ook flypen; eindelyk zy zyn mede van alle - markten weer gekoomen. Maar wat zy ei- gentlyk zyn, en ten opzicht van de zakelyke Natuurkunde weeten , laaten wy aan dener- varenen Lezer. 30.

Komt het u niet zeer plaifant voor , be- dreven Lezer, dat de Dichter Lueretius de geheele Naruur , met alles wat daar in is, in een klein boekje heeft konnen befchryven , en daar by noch uitleggen, of dat Democritus, en Lu- cippus, en Epicurus, alle de fchepzêls en de verfchynzelen der Natuur door kleine en on=- telbaare deeltjes op nun duimtje weeten tevor- men , te ontwinden en uitte leggen ; of dateen geheele bende Ariftotelici of andere Naam-Phi- lofophen, en Deftartes met zyn aanhang , uit hunne Elementen de Scheppinge dezer wereld , de wordinge, de veranderinge, de overgang, de voortteelinge, de groeyinge enz. der we- zens weeten goed te maaken, zonder dat zy de tuffchenkoomende werkinge van den al- vermogenden en al regeerenden Godt daar toe

D 3 eens

54 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,

eens van nooden hebben? Is dit niet een ar- rogantie 1onder weerga? En zoude dit wel mogelyk in eens menfchen harflens konnen vallen, dewelke maar eenig Schepzel, of een zaadje, of een eenig eytje met alle deszelfs Veranderingen, opalderhande wyzen, en door ontelbaare waarneemingen en proef-bevindin= gen, onderzocht hadde? Meenen deze lieden te voldoen aan harflenen, dewelke doorden- ken, dewonderen , dewelke hun in de Schep- zels ontmoeten , uit te leggen met ydele woor- ‚den van verborgene hoedanigheden , van fyne fhof, van ronde luchtbolletjes,van onbegrypelyke Ato= ant, van Wereldgeeft,van Quinteflentie,van Sym. pathy, van Anttpathy, van Subflantte , van Mo= dificatie ‚van Acctdens, Quiddstras , Formalitas enz.? Bekennen deze zogenaamde Efprats forts hier door zelfs niet, dat zy moeten ftilftaan, en zo donker zyn als mollen , en dat zy iets hebben moeten bedenken, om hunne onkune= de kwanzuis mede te bedekken , en hunne jeerlingen zand in de oogen te ftrooyen, als of zy wat wonders voor den dag hadden ge- bragt, tot ophelderinge en openbaarmaakinge van de waare oorzaaken , dewelke zy niet kennen, als: by bloote en verzierde naamen van harflen-dweperyen? Zyn deze uitvluch= ten, en verzierde en nergens opgehelderde, en by niemant bekende oorzaaken geen vol- ftrekte en overtuigelyke bewyzen, dat zy , als het op een zaak aankomt, raaskallen en fpreukjes vertellen; en dat de ondoorgron- delyke Wysheid Gods hunne Wysheid maakt tot dwaasheid, en hunne weten{chap tot on= we-

January en February 1721: 55 wetendheid, en hunne kenniffë tot onkunde, en eindelyk al hunne zakelykheid tot ydelheid, of hun iet tot een volkomen niet? En zyn deze blyken van blindheid niet bekwaam en overtuigelyk genoeg, dat zy gedwongen zyn om te moeten erkennen de groote magt, het beleidt, de wysheid, en de uitblinkende werk- daadenen werkzaamheid van den levendigen en al regeerenden Godt? Of willen zy liever metjeen ander foort van dwaazen, hun toe= vlucht neemen tot een algemeene Weereld-geeft, of tot een Vis plaftica, of tot een andere (ta- meltaal, die noch tienmaal belachelyker is, op dat zy dog vooral het Goddelyke Wezen uit hun begrip zouden wegmoffelen , of door alderhande vreemde naamen verdonkeren?

1.

Om de geente Walkie onnozelheid van de onderftelkundige Philofophen eens ten toon te ftellen, oordeelt den Heer Bovre, dat het zeer tot opheldering zal konnen die- nen, om eens aan te merken, hoedanig zy gewoon zyn, de verfchynzelen van de Na- tuur (zonder daar-omtrent eenige proeven of behoorlyke waarneemingen in * werk geftelt te hebben) uit te leggen of te verklaaren ;

daarom verkieft hy een verfchynzel, het welk

zeer gemeen is, en het welke zy oordeelen zeer wel te verftaan, en van het welke zy oordeelen aan ons een zeer goede en vol- doenende oploflinge te konnen geven. Als aan hun gevraagt word, wat de reden is, dat, als een lange glazen pyp, dewelke aan

Da weers=

56 _ Natuur-en Konfl-Kabinet weerskanten open is, in een vat met water gefteken word, zodanig dat een groot ledig gedeelte van de glaze tubus boven het water uitfteekt, en daar met de mond de lucht uit- gezogen word , dat dan datelyk het water opklimt, zo ras als de lucht uitgezogen word, en het water de plaats van de lucht inneemt en vervult? geven zy tot antwoord, dat het water noodzaakelyk in de plaats van de uit- gezogen lucht moet koomen, om de plaats te vervullen, en om daar door voor te koo- men het van de Natuur gehaate Ledig Ruim of Vacuum. Nadat nu door OTTHO DE GUERICKE, door BoyrerE, en door an- dere proefkundige Onderzoekers, de oorzaak hier van en de zwaarte van den Dampkring door proeven ontdekt zyn, hebben de Arifta= telict „ Epicuriften , Carteftanen , en an- dere onderftellende Philofophen , de werk- tuigen en luchtpomp , daar deze proeven door gedaan worden , mede wel overge- nomen , en kwanzuis voor hunne Leer- lingen wel insgelyks de zelfde proeven ge- daan ; maar zy zyn daarom niet uit hunne blindheid geraakt, om dat zy dit verfchynzel verkeerdelyk hebben uitgelegt door hunne Âl- gemeenheden of verzierde Elementen , en volgens hunne dwaaze onderftellingen ; en dit is de reden, waarom in de ontdekkinge van de waare gefteltheid der Natuurlyke Schep- zelen en derzelver verfchynzelen, zo weinig gevordert is door alle deze onderftellende Naam-Philofophen, en waarom zy zich van de ontleende proef-ondervindingen der Pen â=

r

January en February 1721. — 57 Natuur-onderzoekers niet beter hebben kon- nen bedienen ; want iemant dewelke door proeven, waarneemingen, gedurige bezigheid en arbeidt, omtrent de Schepzels, de geftelt- heid en hoedanigheid , en de vermogens der zaa- ken onderzoekt, moet mêt een zuiver oordeel werken, en niets vooronderftellen ; gelyk nu ook zelfs op de Hooge Schoolen reets genoeg bekent, en op verfcheide waargenomen word. Als aan een Philofooph van dat zelfde aloy gevraagt word, waarom op een zekeren ou- derdom aan de Meisjes’ de ontlafting der maandítonden gebeurt, zal hy antwoorden, dat door de voorzichtige zorg van de natuur omtrent dien leeftyd, dewelke allenskens tot de voortteelinge bekwaam en ryp word,

het overvloedige bloedt na de vaten van de

lyfmoeder word gezonden, ten deele om de onnutte en overtollige bloeddeelen te ontlaf= ten, en ten deele om ftof te verfchaffen voor de voedinge, in. ’t geval van bevruchtinge. Een Cartefiaan zal alles op zyn alwyze en alweetende (ubtile Matery laaten afryden ; want het is de gewoonte van deze lieden, alles dat de Per:patetict door hunne verbor- ene hoedanigheden : de Epicuriften door Wise ydele ruimtjes en ondeelbaare deeltjes : andere door hun onbekende Wereldgeeft of Archeus , of andere verzierde Prefidents naamen , van de bewerkinge der dingen: zommige Chymifche Philofophen door kunne Fermenten, kwanzuis gewoon zyn uit teleg- gen, met zeer veel neuswysheid, en niet wei= nig opgeblazendheid, te beveelen aan hunne

$ fyne

58 __Natuur- en Konft-Kabinet ,

fyne hoofdftof , op dat toch vooral Godt Al- magtig (in wiens plaats alle deze Viftoen-fchil= ders liever een geheel leger harffengedrochten willen verzinnen, als aan Godt de eere ge= ven) buiten zyn eigen werk gefloten zoude worden. Echter kan een vêrftandige geeft aan deze ftameltaal genoeg hooren , dat alle deze onderftellende Philofophen, in het uit= leggen der geheimen en verborgentheden , \ elendig verleegen zyn, en dat, hoe hardnek- , kig om de daadelyke werkinge Gadsteerken= — nen zy ook trachten te zyn, zy echter door hun- ne onbedachtzaamheid te kennen geven een ze- kere by hen bekenden Regent overde Natuur en deszelfs Schepzels, dewelke zy maar met verkeerde naamen van alwyze Natuur, We- reld.geeft, fyne Hoofdftof , onbekende en fuper- fyne Atomi, verborgene eigenfchappen en hoe- danigbeden, en andere diergelyke duittere naa- men meer, koomen te doopen.

2e

Maar om eens Er met onzen Heer Boy- le van den glazen Tubuste fpreeken. Als aan zo- danig een Philofooph gevraagt word, hoe het mogelyk is, dat het water ‚het welk een matig zwaar lichaamis, tegens de natuur van zyn zwaarte zodanig hoog komt op teryzen , om de plaatste vervullen daar de uitgezogen lucht geweeft heeft,zal hy antwoorden , dat zulks ge- fchiedt door het zuigen met de mond, dat daar door het water zo hoog word opgetrokken na boven;maar op dat ontdekt zoude worden, hoe weinig bekwaamheid en vermogen de zuí- 65

January en February 1720. so Sing heeft, ten opzicht van de vermydinge van het ledig ruim, en om het water tot die hoogte op te trekken, heeft den Heer Boyle gebruikt een glazen #xbus of pyp, van om-

trent vier voeten lengte; deze heeft hy met

het eene einde in een potje met kwikzilver gelteken, en zo fterk met zyn mond aan het ander einde van de buis getrokken als in zyn vermogen was, en nochtans is de K wikzil- ver niet hooger gereezen als omtrent twaalf duim; maar de Heer Boyle (telde zeer fterke

mannen aan het zuigen, en als elk gezogen

hadde, wierd de pyp boven gefloten gehou« den, op dat de lucht niet wederom zoude infchieten , en de kwik nederzakken ; hier door is eindelyk de kwikzilver gezogen tot op de hoogte van zevenentwintig duim, waar omtrent zy ook in de bekende proef van Torrie eelli (taan blyft; de kwik wederom uit gelopen zynde, heeft de Heer Boyle dezelfde pyp in een Pot met water zeer lichtelyk tot boven toe konnen zuigen, en ‘de geheele Pyp van vier voeten door een zeer lichte zuiginge met wa- ter konnen vullen; een klaar bewys, dat de Opryzing van de vloeibaare ftof eerder door

de paring vande lucht, en van de nette (met de parflinge overeenkoomende) maat van

lichtheid en zwaarheid ‚op, de oppervlakte van het water of de kwik, dewelke in de pot is, afhangt, als van een zekere verzierde vrees î dewelke de Natuur voor het ledig ruim zou de hebben.

„33: Tot een overtollig bewys, dat de aaloude

onder= 4 d

6o Natuur-en Konft-Kabinét ij

onderftellende Philofophen door het fchemer- licht van alle hunne verzieringen iets hebben gezien, dat op geen andere zaak, als op de werk- daaden Gods kan toegepaft worden, moeten wy ten hoogften aan hun toeftaan zom- mige van hunne gemeene fpreukjes, als na- mentlyk , dat bet werk van de Natuur een werk van verftand is, dat de Natuur altyd het befte aanfpandt , en dat de Natuur niets vergeefs verricht; dewyl deze genoegzaam te kennen geven, dat veele daaden van de onredelyke fchepzelen aan de beftieringe van den alwy- zen Regent van ’ Geheel-al moeten toegeei= gent worden. Ik bidu : waar zullen wy anders heen metde uitmuntende en verwonderens- waardige uitvoeringen van een groot getal dieren en diertjes ; als wy befchouwen het maaken van een fpinnewebbe door de fpinne- kop , het {pinnen van de zyde door de zydewormen , het toeftellen van de neften der vogelen , de voorzichtigheid en loos- heid der viervoetige en alderhande dieren, in zich te befchermen , en hun aas en voedzelte achterhaalen, en duizend diergelyke zaaken, dewelke hunne bekwaamheid toonen tot hunne voortteeling, befcherming en onder- houding , zonder dat zy zonderling op een afgetrokken wyze redenkavelen? Behalven ontelbaare andere blyken van een wyze heer= fchappy van een wys Koning, zal aan ons- zelven belachelyk en dwaas voorkoomen, dit alies te willen uitleggen door gefizgeerde Ele- menten of zaaken, dewelke wy nergens me- de konnen bewyzen, en zelfs niet als door

bloote

JFamuary en February 1720. an bloote naamen weeten. Daärom zyn zom- mige van de aaloude Philofaphen door de kragt van hun verftand zo ver doorgedron-

en, dat vy alle deze werkdaaden aan een Wyzen Godt hebben toegefchreven ; gelyk by voorbeeld, Tuarrs Miresrus, de eerfte van de Griekfche Wysgeeren, zeide, dat het Water was bet beginzel, daar alle an- dere zaaken uit voortkwamen, en dat CODT' was die verflandige Geeft, dewelke allede pa- tuurlyke zaaken daar uit opmaakte en als boet- zeerde, of gelyk ANAXAGORAs, dewelke oor= deelde , dat de fchikking en wyze aller Schepzelen door de kragt en het beleidt van een oneindigen Wyzen Geeft bepaalt en gemaakt wierd,

34 De regeering en gedurige beftiering van den alwyzen Godt is ook zoetelyk te befchou= wen Ín de verfcheide!gedaantens, dewelke

Wy dikwils ontdekken in zommige Minera-

len, als de Kriftallen, de Zouten, de Sal- peter , in ontelbaare foorten van fteenen en ver- Îteende zaaken, daar Wy indrukzels van zom-

mige levendige fchepzels , dieren „ vitlen 5 Plantgewaflen , en andere verbeeldingen en

geellige fchilderyen in gewaar worden, tot Een bewys van de alom verfpreide zaadelyke eigenfchap, dewelke Godt met zo veel wys-

heid in de zaaken gelegt heeft en dagelyks on-

derhoudt… Voegt hier by de voortkweekinge,

groeyinge en bloeyinge der boomen, plant-

gewaflen, heefters, kruiden ‚ met alle haare

byzondere deelen en omftandigheden; overal zult

62 _Natuur- en Konft-Kabinet

zult gy een wys beleidt , overleg, beftier; konft, en verftand, en een zekere waarom, of dikwils zeer veele en verftandige eindoog- merken met zo veel kragt zien uitfchitteren, dat niemant, als die niet wel toeziet, en niet naauwkeurig genoeg oplet , den Heerfcher van het Geheel-al daar in kan voorby zien, Van het voortteelen ‚de wonderlyke FaBryYK van de lichaamen der dieren, en ’t gebruik van derzelver deelen en ingewanden op mal- kander , wil ik hier niet eens , om dat de ftof te overvloedig vol bewys en te edel is , fpreeken. Niemant , dewelke myne Me- taalkunde enz. gelezen heeft , zal ook lan- ger zo dwaas zyn, als een groot deel onder- ftelkundige (tamelaars, van te droomen, dat de Metaalen en metallyne Mineralen van ecu- wigheid zyn ,en niet dagelyks groeyen door een kragt, dewelke een groote wysheid vertoont. Van de Steenen heb ik zulks onlangs onweder- fprekelyk bewezen; en Linfchooten, een Man, dewelke wy in de zaaken van Ooftindien veel betrouwen en volkomen gelooven, getuigt dat zelts de Diamanten uit haar zaad groeyen gelyk de Plantgewaflen. Zy worden, zegt hy, wijde Mynen, gelyh als het Goud uitgegraaven, en de aarde , dewelke een mans lengte diep van dit jaar is uitgegraaven ( en ledig gezocht ) brengt binnen drie of vier jaar op die zelfde plaats wederom andere diamanten voort; waar onder zommige gevonden worden , dewelke rouw vier ja acht hondert greinen weegen, En GARCIAS AB Horto, een Getuige van

geen

January en February 1721. 63

geen minder gewigt, verklaart, Daf de Dia- manten, dewelke (na het fchynt) diep in de ingewanden der aarde en door lange jaaren be- hoorden te groeyen, en tot volmaaktheid ge- bragt te worden, byna in de oppervlakte der aarde worden voortgeteelt, en volmaakt binnen den tyd van twee of drie jaaren. Want indien

ey (vervolgt hy) van dit jaar in een Dia-

mant-groef de diepte van een half el graaft, zult gy (by voorbeeld) diamanten vinden; graaf na twee jaar wederom op de zelfde plaats, en zy zult wederom diamanten vinden,

35e, Als wy nu aan een Eptcurift vraagen, wie

alle deze zaaken zodanig beftelt heeft en

fchikt, en dagelyks in ordre houdt , alle de= ze zaaden en eytjes zo konftig heeft toegeftelt, dat daar uit voortkoomen zulke groote. en wonderlyke Plantgewaffen , Metaalen, Mie neralen, Steenen, Juweelen, met veelder: hande wonderlyke deelen, en tot zo veeldere hande dienft en gebruik ; of dat daar uit voort-

_ koomen alderhande dieren , als viervoetige ,

kruipende, vogelen, viflen, zn/elen , en on-

_zichtbaare diertjes , dewelke uit zulk een

wonderlyke fabryk van dezelve zamengeftelt _ zyn, benevens deze geheele Wereld , met Zon, Maan, Sterren en derzelver beweegin= gen? Dan fchaamt hy zich niet om ons te antwoorden, het GEvAL. Maar zal een Man, dewelke deze dingen van naby en door

_naauwkeurig onderzoek, waarneemingen en

ontelbaare proeven, befchouwt , zich met dit

64 __Natuur- en Konft-Kabinet

dit onnozele. antwoord laaten vergenoegen , Lezer , en gelooven , dat eenige duizende byzondere deelen gevonden worden, zo in het lichaam van een Menfch, als in een Dier, dewelke elk een byzondere gedaante en ge- bruik hebbende ‚en echter alle met malkander in een gefchikte ordre zodanig zynde ge- telt, als maar eens by toeval een van al die duizende buiten zyn rechte ordre geraakt was, of een andere hoedanigheid of gedaante had- de gekregen, datelyk het geheele geftel ont- ramponeert zoude zyn, zo maar by geval by malkander geraakt ,en in die gedaante, hoeda- nigheiden ordre „en tot malkanders noodzake- lyke dien{t, hulp en gebruik,als hol over bol ge- fmeeten waren? Wat dunkt u Lezer van dit heerlyk antwoord? Kan zulks wel voortgebragt worden, als van menfchen, dewelke een zeer fuperfictele bevindinge van zaaken, en een groo- te eigen wysheid en verwaandheid, in 't midden van een duiftere onkunde, bezitten? Overal tegens de fchillen van zyn oogen aan te ky- ken, en dan van zich zelven te gelooven; heel doordringend, verftandig en vol zakely- ke werenfchappen te zyn, en vorderalles on- doorzocht en onbekent te verachten, en zy ne driften en begeerlykheden als de redeloo- ze dieren op te volgen, en den vryen toom te geven, is zeer gemeen by de meefte men- fchen, en de groote oorzaak van het groot getal der onnozele Ongodiften, of deze bee lachelyke Eyprits forts,

Als

en

January en February 1721: Op

„

Als wy ook Beit geven op het mis- trouwen, het welke de eerfte grondleggers van nieuwe Sedtens in de onderftelde Naruur- kunde laaten blyken, omtrent hun eigen Ay- potbefis, is het ten hoogften te verwonderen, dat de menfchen zo dwaas zyn, van hunnen koftelyken tyd aan die dwaasheid en onbe= zonnenheid te befteeden. Ariftoteles getuigt zelfs, in verfcheide van zyne uitleggingen over eenige verfchynzels, dat hy zeer wel vol- daan is, als het maar blykt, dat het zodanig heeft konnen gefchieden als hy ’t verftaat, zich weinig kreunende hoet inderdaadt ge- fchiedt of geftelt is. Dit zelfde zangetje zingt DescARTES insgelyks, in het toetakelen van Zyn SYSTEMA van deze Wereld en deszelfs Schepzelen. Alle willen zy gaarne beken= nen , dat zy riet verzekert zyn , op welk een wyze eigentlyk de zaaken gelegen zyn,

_of hoedanig de zaaken geftelt zyn; maar hun= ne blinde navolgers neemen gretiglyk alle „hunne verzieringen , harffenfchilderyen en

onzekerheden , voor loutere en onveranderly=

_ke waarheden aan. Het is ook een open-

baare onvolmaaktheid van alle de foorten van onderftelkundige Philofopnhen , dat zy zich inbeelden, dat de gefteltheid, hoedanigheid,

„aart, vermogens, en geheele natuur van een

zaak konnen geleert worden door uitlegginge met woorden of met boeken. Zodanig wee= ten ís in deze weren{chappen geenzins ken= nen. De zaaken, dewelke wy verhandelen; _V. Deer, E konnen

66 __Natuur- en Konft-Kabinet 3,

konnen op die wyze nimmermeer gekent „ maar flechts zeer fuperficteel geweeten wor- den, al waren zy al waarachtig. De Natuur, de Konft enz. aan malkander by uitlegging te beduiden, is van weinig belang ; hier moet de zaak zelfs bewerkt, gezien, betaft, ge- hoort, en zeer dikwils behandelt, en tot al- les een hebbelykheid verkregen worden. Ik bid u, zoud gy gelooven, volkomen kennis ‚te hebben van een zeer konftig Horology , of van een ander konftig zich-zelfs-beweegend werktuig, als de Werkmeefter daar van aan u niet anders als een uitlegging door woorden of gefchrift gedaan hadde? Om de oorzaaken en de gefteltheden der natuurlyke verfchyn- zelen uit te leggen , is enkeld verftaan niet genoeg, zegt den hoogwaardigen Heer Boy-

le; hier moet nagefpoort, zelfs onderzocht en gewerkt worden.

37°

Als wy de zaaken zelfs betrachten , behan- delen, door en door bezien, en zelfs gron- dig leeren kennen, zullen wy daar uit ook beter konnen ontdekken de wysheid en het groote vermogen van Godt, als die lieden dewelke de dingen maar hebben van hooren zeggen of door uitlegging; en dit is de oor- zaak, dat veele van die Geleerden , door uit= legginge en Onderftelkunde onderweezen, On= godiften zyn geworden, en dat in tegendeel de proefkundigeNatuurkenders altyd voor de eere, wysheid,en het groot vermogen Gods pleiten, en het zelve door bevindelyke kennifle dagelyks zien. Wie zoude dog door giffen , door ondere

January en February 1720. 67

dar ah en ter loops bekyken., ooit

‚ hebben konnen uitvinden in een menfch de omloop van het bloedt, het wonderlyke

kontigeftel van ’s menfchen oog, en de werk-

tuigen van ’t gehoor en van de {maak, en

andere wonderlyke deelen , als de {pieren ,

de vliezen, de rokken, de buizen, de klie-

ren, de kraakbeenigeringetjes, de beenderen,

de peezen, het hart, de long, de lever, de

maag, de darmen, de nieren, de blaas, met

alle haare konfttuigen , als zulks alles níet door de Onderzoekers en de Anatomiften

met mes, fpuit, vergrootglas enz. gevonden was? Wie van beiden zal nu meerder kon(t

en beleidt, en wysheid Gods in die zaaken ontdekken , een gifler , of een werkzaam

onderzoeker? hoewel echter tot nadeel der

Ongodilten zeer aanmerkelyk is, datzelfs de

meefte aaloude giflende Philafophen, en eerfte Leermeelters van die Onderftelkunde , een klaar gezicht van den levendigen Godt heb- ben gehad , daar ik, als de tyd zulks toeliet,

„honderden van voorbeelden van zoude kon- ‚nen bybrengen. Ook zyn ouwelings de Oa- godiften altyd datelyk by elk een veracht, en

aangemerkt geworden als gevaarlyke monfters

onder de menfchelyke zamenwooninge. Ook

heb ik gemerkt, dat die lieden, dewelke he» „dendaags de Ongodiftery naloopen , meerder Godt niet kennen als Godt ontkennen, gelyk de

Heer Boyle vande onnozele Indianen, Karida-

nen, Brafilianen , Hottentotten „en andere zeer

„wel zegt. Een onnazele geelt, dewelke al- Eyd /uperficteel blyft hangen in de tweede oor= Ki ; E 2 zaa-

68 __Natuur- en Konft-Kabinet ;

zaaken, en in de dingen dewelke naaft aan zyne zinnen zyn, word in alles zo grof lic» hamnelyk van begrip, dat hy de Godheid wel kan verwaarloozen en voorbyzien, maar ZG ras als die zelfde menfch begint door te drin- gen, en eenige groote voortgangen inde zaa= kelyke kennitle der Schepzelen te maaken , zal hy de betlieringe en wysheid Gods wel haaft gewaar worden; maar dewyl de Ongo- diften gewoonlyk lieden zyn, aan welker ver= | ftand groote gebreken zyn , worden zy of door onbekwaamheid, of door luyheid, of door verwaandheid , of door neuswysheid, of door welluftigheid wederhouden om door te werken. Het is wel waar, dat verfchei= de van deze lieden by het gemeen de achting verkregen hebben, van groote Wysgeeren, maar brengt my hunne Schriften of hunne Perfoonen te voren, ik zal u datelyk het te- gendeel doen zien. Het is waar dat elk van hun met zeer veel blanketzel van Na- | tuurkande, of Taalkunde, of Wiskunde, of iets diergelyks voor den dag komt, maar niemant moet met deze lieden tot naauwkeu- | rig onderzoek of kennifle van byzondere zaa= ken afdaalen, want zy fchynen maar zolang bedreven, als wy met hun in ’t algemeen cu in / % afgetrokkeneder dingen blyven hangen. Wy moeten deze lieden vergelyken by cen leer= | ling, die de Bybel of de Boeken der boven= | _patuurlyke dingen kan leezen , maar geen- zins in de grond verftaat, gelyk een uitmun= tend Godgeleerde ; want op dezelve wyze/ leezen zy in’tgroote Boek der groote Natuur ,, daar

Ì

January en February 1720. daar zy zomtyds de letters en haare uitwen- dige betekeniflen, dat is defchepzelen, maar zeer oppervlakkig kennen.

Als wy Godt aib zyne fchepzelen ont- dekken en klaarlyk zien; als wy Godt lief hebben, beminnen, eeren, gehoorzaamen , vreezen en danken, voor de guníten, gaas ven en weldaaden , dewelke wy door een proefkundig gezicht der fchepzelen in de fchepzelen zelfs klaarlyk ontdekken, zullen Wy tegelyk, onderweezen door zyn goddelyk Woord en Openbagringe, veel zuiverder en delicaater godvruchtigheid oefenen, als of wy alleenlyk maar na de hedendaagze flender en mode (het welke wy daarom juift niet ver- werpen, ten opzicht der onnozele en vroo- _me) op zyn Roomfch, op zyn Luutherfch, op zyn Calvinilt, op zyn Mennonift,op zyn Armis piaanfch , Sociniaaních of Kwaakers enz.voor de wereld Religieus en onbefproken leefden, en vorder niet trachten door te dringen tot de ken- nifle van die zaaken, dewelke de grootheid, wysheid en goedheid Gods verkondigen ; want _Diemant moet zo dwaas zyn vante meenen, dat wy op deze wyze Godt zo veel verheeriyken, als dat wy een klaar en groot gezicht van al- le zyne heerlyke Werken genieten, en dezel- Ve aan een iegelyk verkondigen en openbaar maaken : welke gedachten de Heer Boyle ook beveltigt op het laat{te van zyn vyfde Verhan- delinge, daar ik deze onze twaalfde Verhan- delinge van de algemeene Natuurlyke Hifto- rifchryvers mede eindige. f

E 3 Eer. N

so _ Natuur- en Konft-Kabinet,

OOS OEI OOS OL OSE

Eerfle Verhandeling van de BYZO N- DERE NATUURLYKE HI- STORISCHRYVERS, en in dezelve het kort begrip endeszelfsophel- dering van de Natuurlyke Hiftorie van de CAGAO en de ZUIKER.

I.

K heb voor (a) dezen alle de natuurlyke | Hiftorifchryvers in twee hoofd-foorten ver- | deelt, of onderfcheiden , namendyk in ALGEMEENE NATUUKLYKE HISTORISCHRY- | VERS , en in BYZONDERE NATUURLYKE HIsTORISCHRYVERS. Wat door een alge- meen Natuurlyke Hiftorifchryver verftaan word, is voor dezen bepaalt; als ook,dat wy door een byzonder Natuurlyke Hiftorifchry- | ver verftaan, een Schryver, dewelke het na- | tuurlyk Voorwerp, het welk hy befchryjt, be= | paalt aan een plaats, of land, of zaak, of ge= | bruik enz. Onder de byzondere naruurlyke’ | ‘Hittorifehryvers worden verfcheide gevon- den , dewelke veel wetenswaardige zaaken | op een naauwkeurige wyze befchreven, ver- | klaart, en aan ons mede gedeelt hebben. |

Paarom heb ik goed gevonden, aan den Lezer inelk tweemaandelyk Natuur- en Konft-Kabí. | net,voortaan;zo wel cen byzondere Natuurlyke | Hilta- |

(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabintet Maacten April 1719, Pag. 184. 185, 185,

January en February z721e vr Hiftorifchryver-mede te deelen, als (wy tot noch toe (het. welk ik ook altyd vervolgen zal) een algemeen natuurlyke Hittorifchry ver uitgetrokken, op t {poor gevolgt „en opgehel- dert hebben, Boven alles zal ik in deze Ver- handelingen van de byzondere natruurlyke Hiftorifchryvers, zodanige zaaken aan den Le- zer mede deelen, dewelke wy hedendaags in gebruik hebben, en in dewelke myne Luands- lieden grooten koophandel dryven, of dewel- ke zy gebruiken tot hunne Refineerderyen, Ver= weryen „ Ziederyen , Deftillarien, Ambag-

EN ok

elen „ Peper, Gember, de Saffraan , de __Rhabarber, de Zyde, de Wollen, het Kat- toen, de Pot- en Weedaflen, de Tabak, de Verfhouten, het Glas, de edele Gefteentens en Slyperyen, het Porcelein, en andere dier= gelyke zaaken. En alfchoon wy van de mee- fle van deze zaaken tot noch toe geen Natuur- lyke Hiftorifchryvers hebben, zal ik dezelve verhandelen , zodanig dat ik myne Lezers eenige voldoeninge hoope te zullen geven.

} be edn

pe Nu onlangs is by den Boekverkoper Hez= drik Strik voor dentweeden druk wietgegeven , een Boekje gefchreven in de Franfche Taal, onder den tyrel van Hiftoire Naturelle du CACAO €} du SUCRE, het welke ik waar- dig gevonden heb om âlhier de eerfte plaats te

mâ E4 Be

„2 __Natuur- èn Konft-Kabinet ;

geven, onder de byzondere Natuurlyke Hito» rifchryvers. 1. Om dat de Schryver niet al- leen geleert en ervaaren is in de natuurlyke Hiftorien , ( voornamentlyk als door hem zelfs gemaakt zvn de geleerde aantekeningen, dewelke zommige pleatzen ophelderen, het welke zeer wel te denken is) maar ook zeer wel heeft waargenomen de voorwaarden, de- welke tot het befchryven van een bekwaame en vruchtbaare byzondere natuurlyke Hiftorie vereifcht worden, 2. Om dat de Cacao en de Zuiker twee vruchten zyn, welker gebruik door de geheele wereld is doorgedrongen. 3. Om dat de naauwkeurige kennifle van deze twee zo algemeen - gebruikelyke zaaken zeer noodzakelyk is, voor die foort van myne Landslieden , dewelke dezelve gebruiken , tot hun voedzel: of dewelke dezelve berei- den en opmaaken, gelyk de Rafineerders: of die dezelve gebruiken met betrekking op an- dere zaaken, gelyk de Confyters en Zuikers bakkers, Chocolaat-bereiders : en wel voorna= mentlyk ook voor die gene dewelke koophan- del in dezelve dryven. En eindelyk 4. Om dat de Cacao en de Zuiker zo nuttig en dien= ftig zyn , om ons te dieten tot lekkerny, tot voedzel, en inzeer veel gevallen tot ge- neesmiddelen.

Dit Boekje is wat de eerftemaal gedrukt binnen Paris, maar het heeft aan den Schry- ver niet behaagt zyn naam voor het zelve te plaatzen ; echter verzekert hy aan den Lezer in zyn Voorreden, dat hy alles volgens de

waars

“Sfannary en February 1721. 73 waarheid mededeelt, en gelyk als hy de zaa- ken gezien, en zelfs ondervonden heeft op de Eilanden van America, in den tyd van vyttien jaaren, in dewelke hy op dezelve gewoont, en den Koning van Vrankryk gedient heeft. Deze Schryver is te meerder opgewekt ge- worden, om met naauwkeuriger oplettende heid, als wel de dagelykfche gewoonte van de meefte Schryvers en Opmerkers mede brengt , acht te geven op den oorfprong, oefening , eigenfchappen , en het gebruik van deze twee Plantgewaflen en derzelver vruchten, van dewelke de wereld zo veel nutheid en voor= deelfgeniet; om dat hy zo wel ten opzicht van de gewoontens, als de gefteltheid van dat Land, veel zaaken anders vondt, als de denkbeel- den mede brengen , dewelke de Schryvers daar van aan ons gegeven hebben. Ditwas, zegt hy, de oorzaak , dat hy alles zelfs wilde door en doorfnuffelen , en geer zaak wilde be- fchryven, als na het voorfchrift van deszelfs eigen natuur en gefteltheid, en dat hy ners gens in wilde voortvaaren „als na de onders Vindinge; jadathy vande ondervonde zaaken zelfs noch zo lang wilde twyfelen, tot dat hy dezelve met de uiterfte maauwkeurigheid hadde hervat. Voorwaar cen treffelyke On. derzoek-wyze! | | ak . 4e y ï Onzen Schryver geeft van deze twee be ruchte Plantgewaffen de eerfte plaats aan de Cacao, van dewelke hy naauwkeurig „ maar echter zeer beknoptelyk, aanmerkt, 1. De Ca-

Es cao

4x __Natunr-en Konft-Kabinet, cao-boom zelfs. 2. De oefeninge en voort» teelinge van de Cacao-boom , en de bereidinge van deszelfs vrucht. 3, Van de eigen{chappen en hoedanigheden van de Cacao. En 4. Van deszelfs gebruik, Wy hebben verfcheide Schryvers ; dewelke over de Cacao-boom, en over de Chocolade gefchreven hebben. Ik zal de voornaamf(te van dezelve aan den Lse- zer voorftellen, op dat hy dezelve by dezen on- zen naauwkeurigen Schryver kan vergelyken, en de netheid en waarachtigheid van dezen Schryver, in vergelykinge van anderen, ge= waar worden, In het jaar 1658. heeft CAS» PARUS CALDERA DE HEREDIA, in zyn Zrér bunal , verfcheide fraaye aanmerkingen over de Chocolade gemaakt; en ANTONIUS COLME- NERUS DE LiEDESMA heeft een boekje in ’£ Spaanfch gefthreven, over de gelteltheid en _ hoedanigheid der. Chocolade ; dit.(tukje is im % raar 1644. in ’t Latyn gebragt,-onder het opzicht van den vermaarden Marcus Au- RELIUS SEVERINUS. In het jaar 1666. heeft de CARDINAAL FRANCISCUS-MARia BRAN- CATIUS een verhandeling uitgegeven tot Ro- men, over ‘het gebruik der Chocolade. HEN- Ricus Munprus; van Londen, heeft in ’% jaar 1680 achter zyn. werkje gevoegt een aânhangzel , in her welke gehandelt word van de Chocolade enz, Ook is in ’t jaar 1685. een boekjetot Parys „zonder naam van deû Schryver gedrukt, het welke handelt van de Koffy, de Thee, en de Chocolade. Noch zyn er verfcheide Natuurlyke Hiltorifchry- ek, Vers,

Faunaty en February 1721. 75 vers, Plantbefchryvers, Reisbefchryvers , en andere geweeft, dewelke in hunne werken van de Cacao-baom, van de Caeao-vruchten, van de'Chocoladeenz. gefchreven hebben,als: Wir- HELMUS Piso, CHARLES PLUMIER, Tour- NEFORT , BeNzo by Carolus Clufius, FRAN- CISCUS HERNANDES, WirLiAM DAMPier, PoMET , CHOMEL, VALENTINUS, THoMas GAGE, OEXMELIN, EEN BESCHRYVING VAN DE RIvrER DE AMASONES , ROCHEFORT , de Vader DU TERTRE , THOMAS STROZ- ZA, LEMERY , en verfcheide andere Schry- vers, van dewelke ik na de Verhandeling van de Zuiker nader bericht zal geven.

Ì s.

De Cacao-boom ís van een middelmatige grootte, en word meerder of minder robujt, na de meerder of minder vruchtbaarheid en’ bekwaamheid van de grond, in dewelke de- zelve word voortgeteelt. Op de Kuit van Garague groeit by voorbeeld de Cacao-booimn, veel weelderiger als op de Franfche Eilan- den. Het hout van de Cacao-boom is ganfch _ piet valt en in een gedrongen, maar poreus

en licht van gewigt. De fchors is matig!yk effen, en glad van koleur, bynaalsde Kaneel, maar meerder of minder donker, na dat de- zelve licht of zwaar, en deboom jong of oud

is geworden. De bladeren van de Cacaozyn Tabula negen duimlang, volgens de waarneeming XX12 van dezen Schryver, en vier duimbreed, ge- Iyk dezelve gezien konnen worden in Zabu- la XXII. hierachter bygevoegt; daar de bla-

deren

„6 Natuur-en Konft-Kabinet,

deren aan haar fteeltje beginnen, zyn dezel- ve niet zo breed, als in het midden, maar aan haar uiterfte einde zyn zy zo {imal, dat zy bynafcherptoeloopen, gelyk alsde Liauwe- rier-bladeren. De koleur van deze bladeren is groen het welk een weinig donker is, mnaar echter veel helderder aan de bovenzyde, als aan de onderfte zyde van het blad. Het fteeltje, met het welke elk blad aan ’t hout hangt, is omtrent drie duimbreed lang, en een duims linie of twaalfde part van een duims breedte van diameter; deze (teel gaat voort door het midden van het geheele blad ; tot aan het uiterfte einde van het blad, met eenige verhooginge. Aan de ruwfte zyde van het blad zyn aderen , aan weerskanten van zich uitfpreidende en verdeelende op een byzondere wyze, gelyk in Zabula boven ge= meldt gezien kan worden, Dewyl de blade- ren van de Cacao-boom niet alle te gelyk, maar vervolgens, en zeer langzaam na mal- kander, na maate dat wederom andere haar plaats vervullen „ afvallen, word deze Gacao- boom nooit kaal of bladerloos gevonden. Dee ze boom bloeit altyd, maar nooit overvloe- diger als in de beide tyden van den Zonne- ftand,

De bloemen van de Cacao-boom zyn zeer regelmaatig gefchikt, en roos-gewys , maar klein en zonder reuk , en voortkoomende met bosjes aan de geboge fteunzeltjes der ou= de bladeren, op die plaats, daar nochals en

lide

#

January en February 1720. JP lidtekentje gevonden word van de afgevalle bladen, gelyk te zien is7ab. XXII.N. 6.6.6. De bloemen worden na de waarneeminge van den Heer PruMier, by den beroemden Jo- SEPH Pi;TTON ToOURNEFORT, uitgebeeldt in

__ zyn 444- Printverbeelding, daar de Lezer kan zien, dat de bloem uit veel kleine blaadjes

betaat , dewelke flodderig en aan de rand

ftomp ingefneden zyn, op de wyze als de

bladeren van de tunis-bloemen. Het kelkje, het welke in ’* midden van de bloem (taat, is veel-bladerig, en omringt het middelfpil- letje, op de wyze als een hol pypje, het wel- ‚ke aan verfcheide riempjes is opgefneden ; ge=

Jyk tot opneldering van dezen onzen Schry- ver, en tot overvloedt van de zeer naauw- ‚keurige Liefhebbers, in die Plant by den Heer Zournefors gezien kan worden. De

Cacao-boom is zo overvloedig in *t bloeyen, dat de grond onder dezelve als met bloemen bedekt legt, gelyk als by ons in de bloeytyd onder de vruchtboomen. Godt almagtig

___heeft de Natuur inalle gevallen zo milddaadig „gemaakt, dat ook in dit geval tien bloemen

genoeg zyn van de duizend, om zo veel Cacae-vruchten voort te brengen, als de boomdraagenkan. Elke bloem, zegt onzen

„Schryver, is aan de boom gehecht met een

zeer fyn en dun fieeltje, het welke omtrent

vyfof zes (ay duim-linitjes of een halve duim-

breed lang is; maar terwyl de bloem noch | is

(a) Verfta eens vooral door een duim-linie, de twaalfde part van een duimbseedt,

'

28° __Natnur- en Konft-Kabinet;

is in de knop, is dit fteeltje maar twee of drie duim-linitjes lang. Onzen zeer naauw- keurigen Schryver heeft omtrent de bloem van de Cacao-baom aangetekent, dat Guliel- mas Pifo (a) deze verkeerdelyk noemt een groote bloem, dewelke blankgeel van koleur 15; en dat Samuel Dale (b) deze dwaalinge van Pifo heeft nagevolgt, en in zyn boekje over- gefchreven; het welk ik myn Lezer voorftel, om aan te toonen de naauwkeurigheid van mynen Schryver , en ten anderen om dat ik hem in diergelyk een geval zelf niet meer fpaaren zal,als hy andere heeft gedaan. Maar wy hebben geen reden, om de befchryvinge van Pifo daarom te verwerpen, want Pifo {preekt van een foort van Cacao, dewelke de groot- fte vruchten voortbrengt van de vier foorten, dewelke by die van Mexico gebruikt worden, en het is zeer waarfchynlyk , dat onzen Schry- ver deze op de Voor-Eilanden tot noch toe niet gezien heeft.

7 Zo ras als de knop van de bloem begint te ontluiken , konnen aangemerkt worden. r. De kelk. 2. Het loof of bladertjes van de bloem. En 3. Het hert van de Bloem, De kelk vormt zich vande omwindzels van de knop, dewelke gefcheiden is in vyf deelen ‘of bladen van een. zeer bleeke vleefch-koleurs deze worden gevolgt van vyt volkome bladen ; : vaa

(2) Vid. Gulielmi Pifonis Mantif]a Aroma= tica Cap. 18. (6) Vid, Samuel.Dale Pharmacolog. pag. 441.

\

|

SYanuary en. February 1721. ve) van dezelve koleur , en deze vervullen de ruimte van de kelk ; deze bladen hebben twee deelen, het eene deel is onder aan in de ge- daante als een langwerpig drinkfchaaltje, van binnen geftreept als purper koleur, en zich omkrommende naar het middelpunt , door „middel wan een wolachtigheid, dewelke ver- ftrekt als voor een bandje of ftrikje ; van daar gaat het vervolgens aan de buitenkant van „het andere deel van het blad, het welke fchynt als gefcheiden , en is gevormt als het yzer van een piek, Het hert van de bloem is te “zamengelielt van vyf draadjes en vyf wollige pluimpjes, met een fpilletje in het midden ; de draadjes zyn recht, met een purperkoleur, en geplaatft recht tegen over de tuffchenruim- tens van de blaadjes; de pluisjes zyn blank van koleur, en gekromt na buiten, met een foort vaneen knopje aan haar kruin of boven- einde, het welkezich inwikkelt in het midden van elk blaadje, om het zelve te onderfteu- men. Als deze kleine deeltjes door het ver- _grootglas gezien worden, fchynt de punt van de draadjes zilverachtig, en de pluisjes fchy= nen van Kriftal te zyn , gelyk als ook het Ápilletje, het welke de natuur fchynt geplaat{t te hebben als in het midden , in de gedaante van een witte draad. Uit deze befchry- vinge blykt klaarlyk , dardezen onzen Schry- ver de bloem ‘van de Cacao met veel meer naauwkeurigheid bezien, en met veel meer netheid en omftandiglyker befchreven ‘heeft, als de vermaarde Kruidkender Charles me mir ‚ en na-hem Fofeph Pitton de. Toar- ls VEER

ne=

Bs

8o _Nafuur- en Konft-Kabinet ; nefort, dewelke de bloem van de Gacao bés fchreven hebben. | 8. | De Cacao-boom draagt, byna het geheele jaar door, vruchten van alderhande graaden van rypheid, gelyk gezien kan worden in Zab. AXII, Net. verbeeldt een geheel rype vrucht. N. $. verbeeldt een aankoomende vrucht, en N.6.6.6. verbeelden knoppen van bloeizel , en ook volkome bloemen; het welk alles,te gelyk aan dezen Boom gezien word, en een zeer aangenaame fchildery voor het gezicht vertoont. Tot beveftiging van het geen ik in de twaalfde Verhandelinge vande algemee- ne Natuurlyke Hiftorifchryvers, of in het uit= trekzel en de opheideringe van de vyf eeríte Verhandelingen van den hoogwaardigen Heer Boyle, heb getracht aan te dringen, konnen wy omtrent de vrucht van den Cacao-boom een nuttige aanmerkinge maaken, namentlyk dat de zwaarweegende vrucht van dezen boom niet voortgebragt word aan de uiterfte topjes en eindjes van her fyne hout of de dunne takjes des booms, gelyk wy in deze onze landen _gewoonzynte zien aan onze vruchtboomen, maar aan de{tam, en aan de zwaare armen en _hoofdtakken desbooms, gelyk gezien kan wor- den in gemelde Zab, XX11. Waar in de wysheid des Scheppers openbaarlyk uitblinkt „om dat de tedere takjes en het dunne hout niet fterk noch robuft genoeg zouden zyn, om deze zwaare vruchten te konnen draagen ; een

zaak , dewelke zeer gemeen is in de Ooftin= difche

4 Fanuary en February 1721. 8r

__ difche en Weftindifche Landen, gelyk blykt

aan de Cocos-boom , aan de groote Abricoos

van $£. Domingo, aan de zeer groote Cala-

{ baflen , aan de zeer zwaare vrucht Papa, en aan verfcheide andere zwaarwigtige en groote vruchten , van welke zommige alleenlyk maár aan den {tam des booms voortgebragt worden.

g.

De vrucht Cacao is befloten in eèn dop, dewelke van een uitftekend klein beginzel, binnen den tyd van vier maanden, de groot-

_ te en de gedaante verkrygt van een komkom- mer, dewelke onder {pits toeloopt , gelyk gezien kan worden Zab. XXII. N. r. De op= pervlakte van deze dop is ingefneeden, op de

wyze gelyk een Meloen. De Heer (a) Fo-

_ fepb Pitton Tournefort heeft zodanig een

vrucht of geheele Cacao-neut in een prent-

_verbeeldinge mede gedeelt , maar de vrucht,

_ dewelke onzen Schryver uitbeeldt in Zabu/a

Ek is niet zo diep ingekurven, noch met

_ zodanige gekrulde ribben langs deszelfs op-

__pervlak , als die van den Heer Zournefort. Deze uitwendige baft of fchil, ofdop, zoals wy zulks beft noemen, is in de eerfte maau-

_ den of roodverwig, of blank, \of rood met geel doormengt; en deze verfcheidenheid van koleuren maakt, volgens onzen Schry- ver, drie foorten van Cacao-boomien , de- V. Deer. F … welke

| (a) Vid. Pofephi Pitson Teurnefort Inft. Rei hd Herb. Tab. heij fi 8 | }

1

À

82 __Natuur- en Konft-Kabinet,

welke onder malkanderen geen ander onder= fcheidt hebben , als alleenlyk dat haare vruchten deze drie verfcheide koleuren vertoonen; waar- om onze Schryver oordeelt,dat dit onderf{cheid niet groot genoeg is, om drie foorten van Cacac-boomen vaft te (tellen , en het is waar- fchynlyk (zegt hy in zyne aanmerkingen. op zyn eigen text) dat de Spanjaards , dewelke tot Mexico vier foorten van Gacao-boomen optel= len, deze hebben vaft gefteltop eengrond, de- welke niet veel vafter 15, en hy oordeelt dat de Heer Zournefort gelyk heeft, dat hy naden Vader Plumier beveltigt heeft, dat aan hem niet meer als eene foort van Cacao-boom be- kent ís. Maar ik oordeele, dat alle de foor- ten by hen niet bekent zyn geworden,

10.

Ik zál het gevoelen van onzen Schryver niet tegenfpreeken , maar echter tot ophelde- ringe van dit fraay en naauwkeurig Boekje eenige zaaken aan myn Lezer mede deelen, dewelke aan deszelfs wetenfchap geenzins fchadelyk zullen zyn. De Heer Jofeph Pit- ton Tournefort heeft op een byzondere wyze over de onaffcheidelyke geflachts-merktekens der Plantgewaflen gefchreven, en alle zo- danige Plantgewaflen, als hy onder geen an- ‚der gellacht van Plantgewaffen, als een foort of byfoort heeft konnen brengen, heeft hy als een byzonder geflacht aangemerkt;en dewyl hy de Cacao-boom onder geen ander geflacht heeft konnen vinden, vond hy zich peen

zaakt

4 January en February 17ar: 33 _ zaakt, om van de Cacao-boom een byzonder _ geflacht te maaken , van dewelke hy getuigt, _ dat tot noch toe geen byzondere foorten aan hem bekent geworden waren. Maar niet te- __genftaande dit gevoelen, zegt (a) Gulielmus _ Pi: Deboomen, dewelke de vrucht Cacao voortbrengen ‚koomen van zelfs en zeer weel- derig voort, in de vochtige en;moerafachtige __Plaatzen van Guatimalo en Nicaragua. De Na- tuurkundige van, Mexico ftellen zommige Vier, en zommige vyf. verfcheide foorten van Cacao-boomen. Het is aanmerkelyk , dat de vruchten, te weeten de Cacao-boontjes zelfs, omtrent derzelver kragten, vermogens en hoedanigheden, van alle deze verfcheide foorten van boomen, zeer weinig van mal- kander verfcheelen, te meer daar de Span= jaarden een aanmerkelyk verfchil omtrent de boomen ftellen, zo wel ten opzicht van der= ‚zelver grootte als gedaante, De grootf{te foort van alle de andere foorten van Cacao-boo= men word door de Indianen genaamt Ca- CAVA Quarnuirr. Hier aan volgt de C'a- caorboom ‚dewelke zy noemen Mecacauarr,

en dewelke zo in hoogte van ftam, als groots te van bladen en vruchten , aldernaaft aan de Qaathuitl komt. De derde foort is veel klein- der als de twee, gemelde foorten, en word by de Indianen Xocricacavarr genaamt; deszelfs ruwe. vrucht ‘is ook veel kleinder, En van buiten rood van koleur; maar van

À be ‚t Fra bin-

| (a) Vid. Gulieln Pifozis Mastifla Aromati- eaGap.XVIIL, 7

84 Natuur-en Konft-Kabint, binnen is deszelfs koleur, gelyk allede an- dere vruchten van de drie. overige foorten. De vierde foort noemen de Indianen TrAL- CACAHAATL, het welk zo veel betekent als laag , en deze is ook de kleinfte van de vier foorten , en draagt ook de kleiníte vrucht. Deze laatfte worden in ’t Mexzíicaan- fche meeft gebruikt, tot de bereidinge van de Chocolade; maar de groot{te worden meer- der gebruikt in de plaats van geld, en voor den koophândel binnens lands; De grootite Cacao-boom, Cacava Quathuitl genaamt, is de voornaamfte van alle de andere 5 deze boom is van een middelmatige grootte, en zeer bladryk of loofryk ; de bladen zyn; volgens Pífo, langwerpiger, als de biaderen van den Oranjeboom ; en Antonius Herrera vergelykt dezelve by de bladen van den Ca- ftanjeboom ; de bladen zyn met een zeer kor- te (teel aan de takken vaft, en met een rechte uitgaande ader voorzien , uit dewelke veel dwarze adertjes zich door het geheele blad verfpreiden.De bloemen zyn groot, en uit den geelen gelyk als de Saffraan, dewelke afge- vallen zynde, eenige dunne groene, langwer= pige en wolachtige draadjes nalaaten, uit de= welke naderhand een vrucht voortkomt, de- welke ryp geworden zynde, in grootheid, dikte en zwaarte, niet behoeft voor een me- toentewyken, en die geelachtig van koleur is, De fteel, daar dezelve aan hangt, iskort; de buitenfte dop is met verfcheide infnydingen voorzien, en van binnen worden in zommi= ge dertig. Cacao-boonen gevonden, dewelke veel

January en February 1var. Q veel grooter zyn als een amandel; de baít _ daar afgefchilt zynde, gelyken zy wel na een __ nier vaneen koe, om deinfnydingen. dewel. ‚ke in dezelve gezien worden, en waar door zy in verfcheide deelen gefcheiden zyn, fchoon deze deelen echter wel in malkan- __ der fluiten. Deze zelfltandigheid van deze __Cacao-boonen is zeer delicaat „en fyn __ van meel', en van een kaftanjebruine, ko- leur, en zodanig vet, dat uit dezelve meer- der oly als uit de amandelen kan geparft worden ; de {maak is een weinig bitter- achtig , maar zeer aangenaam , gelyk de {maak van alle de andere foorten van Ca- CAO. Thomas Gage, die zeer lange jaaren in de Spaanfche Weftindien gewoont heeft, zegt: Men vindt twee foorten van de Cacao- ‚vrucht, den eene is de gemeene, en heeft een donkere koleur, welke op het roodetrekt, deze 45 rond ende puntachtig aan bet einde; de an- dere is breeder, grooter en platter , zy noemen _ dezelve PATLAXE, zy is wis, ende meer __ verdroogende alsde andere; ookis die veel beter- __ koop; deze belet ook de flaap veel meerder als de audere, daarom word zy zo meel niet ge- bruikt, als van het zeer geringe volk. Liet zyn Reis door de Spaanfche Wettindien , het Tweede Boek 19. Kapittel. Maar wy zul- „ len hier van afbreeken.

/

IL

Om dan wederom tot onzen Schryver te kee- Fen, Dezelve zegt, dat de eerfte foort van EF 3 Ca-

on 1

4

86 _Natuur- en Konfl-Kabinet ,

Cacao-vrucht , door hem zelfs waargeno= men, een koleur heeft alsroodewyn, en wat donker , voornamentlyk aan de beide zyden; maar als dezelve geheel ryp word, heldert de koleur wat meerder op , en word wat bleeker-rood. Detweede foort ot de blanke is in begin, van een groen het welk zodanig helder is, dat het wel blank gelykt te zyn, maar allenskens verkrygt dezelve de ko- leur van de Citroen , en eindelyk geheel ryp, zynde „ word deze volkomen geel. De derde foort, dewelke onzen Schryver zegt, dat rood en geel door malkander ge= mengt is, heeft van de twee voorgaande ko- leuren van elks wat, want ryp wordende word deszelfs rood vry wat lichter, en het geel veel hooger van koleur. Alfchoon-on- zen Schryver deze drie verfcheide boomen niet als drie byzondere foorten heeft gelieven aan te merken, bekent hy echter zelfs, dat die met de witte {chillen gezetter, vollyviger, of meer in een gedrongen zyn als de twee andere , voornamentlyk aan die kant, de welke nader aan de boom is, en dat de Ca= CAO-BOOMEN van deze foort veel meer vruch= ten voortbrengen, als de andere. Alsde al- gemeene {chil doorgefneden word in de leng- te, word dezelve omtrent vier duim-linien of een derde van een duimbreed dik bevonden, en deszelfs binnenfte ruimte is gevult metde Cacao-boonen, ( dewelke wy dagelyks ge= bruiken en zien verhandelen ) welker tuf- fchen-ruimtens, eer dezelve noch ryp gewor- den

Jannary en February 1721. 87 den zyn, vervult zyn met een witte en vafie | zelfftandigheid , dewelke zich zelven veran- dert in een foort van een flym, het welk een zeer aangenaame zuure fimaak heeft. be 12. Als met een naauwkeurige oplettendheid _ de inwendige gedaante van deze {chil word „onderzocht, blykt het dat de draaden van de vrucht , voortgaande dwars door de {chil , zich in vyf takken verdeelen, en dat elketak zich wederom verdeelt in menigte van draad- jes, van dewelke elk zich aan het grof{te ein- ‚de van elke Cacao-boon eindigt , en dat zy alle te gelyk de greinen, den eene tegen den andere gefchikt, in deze {chil vormen met een verwonderens waardige ordre, gelyk als … en druive-tros. Ten opzicht van “het getal «der Cacao-boonen, dewelke in elke vrucht _ gevonden worden, kan onze treffelyken en __ oplettenden Schryver zich niet genoeg verwon- deren over de weinige naauwkeurigheid van de andere Schryvers; want William Daimprer (zegt hy ) meldt, dat-gewooniyk hondert Ca- cao-boonen in een dop of vrucht gevonden „worden. Den Heer Pomet , den Heer Chomel, en den Heer Valentin getuigen van zeltig , … zeventig of tachtig, en gefchikt in die order „als de granaatkorrels., Thomas Gage getuigt van dertig of veertig. Antony Colmenero de “ Ledefma-getuigt van tien of twaalf „en Oex- ‚ melin în zyn Hiftory van de Bogcagiers zegt ‚van tien. of, twaalf of. veertien. Ondertuf- __# {chen verzekert.onzen Schryver „dat hy on- “ins EF 4 der

+

45 Natuur- en Konft-Kabinet,

der duizend waarneemingen nooit meerder noch minder, als vyfentwintig Cacao-boo- nen, gevonden heeft in een vrucht. Hier moet echter verftaan worden van die gene, dewelke in haar gewoonlyke volkomenheid gegroeit zyn, want anders gebeurt het wel, dat zommige vruchten gevonden worden, in dewelke maar vyftien en minder Cacao-boo= nen zyn; maar deze moeten aangemerkt wor- den als- misgeboortens, of als vruchten van boomen , dewelke beginnen uit te fterven, of dieop een dorre en fchraale grond ftaan; of dewelke niet wel waargenomen of geoe- fendt worden ; want de Cacao-boom dient wel befchut te worden voor de al te bloote lucht en de (terke winden. Ook gebeurt het wel, dat na zeer lang zoeken een vrucht gevonden word, in dewelke dertig of zom- tyds veertig Cacao-boonen gevenden wor- den, maardeze zynals watraars, en gegroeit — op uitnemende vruchtbaare gronden, en aan boomen, dewelke in het kragtigfte van haar draagen zyn. je 13

Als nu elke Cacao-boon gefchikt en ont- bloot word van zyn byzondere {chil , word dezelve van een zelfltandigheid bevonden, dewelke zeer teder , fyn en glad, en een weinig violetkleurig is, en als gefcheiden en verdeelt in verfcheide lobben of deelen; ziet Tab. XXII. Fig. 4. Oexmelin , Plumier , Tournefort, en verfcheide andere hebben ge- fehreven, dat alle deze deelen wel valt en

mat

_ January en February 1721. 85

__malkander gefloten waren, maar dat echter

eik deeltje byzonderlyk gefcheiden was, en dat elke Cacao-boon uit vyt of zes zodanige deeltjes te zamen geftelt was; maar onzen Schryver verklaart, dat elke Cacao-boon maar uit twee deelen beftaat, dewelke lobs-gewys

zodanig in malkander fluiten , als of elke

Cacao-boon uit vyf of zes deelen beftond. Als een Cacao-boon in de lengte word door- gefneden , word aan het uiterfte ‘van % dik{te

_ &inde een foort van een zeer klein langwer-

Ld

pig rond graantje gevonden, van twee duims- linitjes of de zesdepart van een duimbreed lang , en gas vierentwintigfte part van een duimbreed over zyn diameter, het welke is het waarachtig fpruitje van de geheele Plant.

é 14.

Na dat wy nu de aldhoor: deszelfs hout, bladen, knop, bloemen, onrype en rype vrucht, Cacao-boon of zaad, en de fpruit van de toekoomende boom enz. be-

‚fchouwt hebben, fpreekt onzen Schryver van

_ de verkiezinge en bekwaame fchikkinge der

«

plaatzen en gronden , daar een CACAO-= BOOMGAARD gewoonlyk met goeden uiz- komft geplant -word. De Cacao-boom gracit op veríchêide plaatzen- van Amerika in het Wild, en wel voornamentlyk-onder de ver- zengdeluchtftreek van Amerika, maar byzon- „derlyk in het Mexicaanfche, in de Provintie van Nicaragua en Gratsmala, gelyk als ook langs de boorden van de groote Rivier van „de Amafonen, en op ds Kuft van Caraguer, À MG : 38

| bi k

go _ Natuur-en Konft-Kabinet ,

als mede op Zfle d'Or. Zelfs worden eenige Cacao-boomen gevonden in de Boffchen van Martentgue. Waar uit blykt, dat («) Bez- zo, dewelke lange jaaren voor Krygsman by de Spanjaards in deze landen gedient, en de- zelve op veele plaatzen doorgezwurven heeft, dwaalt, daar hy by Carolus Clufins zegt, dat de Cacao-vrucht nergens anders groeit, als in Nicaragua; en dat noch in Hifpaniola , noch in eenig ander gedeelte van Amerikade Cacao-boom gevonden word : anderzins beveltigt Benzo de ondervinding van onzen Schryver in veele gevallen. Benfo ( wiens getuigenis ik, tot opheldering en beveftiging van onzen Schryver, aan den Leezer zal me- ‘de deelen ) verklaart dat de Cacao-boomner- gens beter wil groeyen als in de boffchen, op warme dog {chaduwachtige en vochtige plaatzen ; en dat zelfs dit noch niet genoeg is, maar dat zy gewoon zyn dezelve te plan- ten benevens en als onder de fchaduwe van een andere Cacao-boom, dewelke reets vol- waflen is; en dat zo ras, als de jonge Cacao- boom ‘begint op te fchieten, dezelve zodanig gefchikt , en deszeifs kroon zodanig gebo- gen word, dat dezelve de volkomene fcha- duwe geniet van den ouden boom, onder welkers befcherming de jonge boom opwaft, ‘om van de brandinge der Zon bevrydt en be- waart te worden.

Tho=

(2) Vid, Carslì Glufii Exoticor. Lib. XL Gap. 28,

ENE nde,

__ __Januaryen February 1721. or

Ld ‘s

| vaak Is. ___ Thomas Gage, (a) dewelke lange jaaren in de Indiën het Prielterlyk ampt bedient heeft, getuigt -insgelyks, dat de Cacao-boom zeer tederis, endat degrond, daar dezelve groeit, zodanig heet is, dat de Indianen, om dezel» ve voor het branden der Zon te befchutten , andere boomen, moeders van de Cacao-boo- men genaamt, eerft planten; en als die tot __zodanigeen hoogte gegroeit zyn , dat zy aande Cacao-boomen konnen dienen tot fchaduwen , planten zy de Cacao-boomen daar onder. Dat de Cacao-boomen ook een natachtige grond beminnen, getuigt (4) de Spaanfche Schryver Aztonius de Herrera, want de Pro- _ vintie van Tabafco, zegt hy, is byna overal _ vlak en la2g land , vol moeraffen , groote meiren en poelen; het land is vol roode Bra- filie-boomen , als ook zeer vol Ceder-boo- _men ; en behalven deze alderhande andere _ boomen, dewyl het zeer vol groote bofichen is. De lucht is zeer heet en vochtig, en van de twaalf maanden des jaars hebben zy wel _ negen maanden regen. Onder de verfcheide _aangenaame en goede vruchten munten in de boflchen uit de Cacao-boomen, dewelke de grootte rykdom van dat land uitmaaken, en wel voornamentlyk zedert dat de Indianen van de Spanjaarden in deszelfs oefeninge en tam-

(a) Ziet Thomas Gage Reis door de S paanfcheWeft- indien, her 2 Boek rg Kap.

(bk) Ziec Defcripcion de las Indias Occidentales de An- Beziode Herrera D, 3. Lib. VII, Cap. 3. Á

| „

sz _ Natuur-en Ronft-Kabinet ,

tammaakinge onderweezeuzyn.Zy waflen wel op zeer veele plaatzen in de Weftindien,en zelfs inde Voor-Eilanden , maar zeer ongelyk, én met groot onderfcheidt van voorzorg , zelfs in de tuinen aldaar van byzonderelieden, ge- lyk gezien kan worden by den Heer Charles (4) de Rochefort.

16.

Maar om wederom te keeren naar onzen eigen Schryver, vinden wy by den zelven, dat de Cacao zeer lange jaaren bekent, en in het gebruik is geweelt by de Spanjaarden en Portugeezen, eer de andere Natien kennifle van dezelve gekregen hebben. Dit is een be- kende waarheid, en word van veele andere beveftigt; in zo verre, dat onze Zeeuwfche en Hollandfche Kaapers, in den Spaanfchen oorlog, onkundig van de deugden de waardy vande Cacao, dezelve alseen onnutte meubel in de Zee wierpen uit de pryzen, dewelke zy van de Spanjaarden genomen hadden, en noemden dezelve, volgens de getuigenifle van Thomas Gage,fpotsgewyze,fthaape kentels, On- zen Schryver is van gevoelen, dat deze on= kunde geboren wierd, om dat de Spanjaar- den en Portugeezen de kennifle van dezelve niet mede deelden aan andere Natien ; maar inderdaad zulks moet toegefchreven worden aan de yverloosheid van onze Natie; en of my al tegengeworpen wierde, dat zommige

Na-

x ie) Ziet Natuurlyke en Zedelyke Hiftorie van de Voor-Eilaaden vap Amerika, Hoofdftuk VL, lid zó,

January en February 1721. 93 Natien gevonden worden , dewelke noch laffer en noch yverloozer in’ het onderzoek der Natuurlyke zaaken zyn, dient de Lezer te weeten, dat wy boven alle Natien des we- relds omtrent die zaaken yverig, naarftig en oplettende behoorden te zyn, om dat wy ons onderhoudt door ’t gewin, het welke wy in andere landen en wereld-deelen maaken , moe- ten zoeken, en uit ons kleine Landfchap geen- zinsindiegrootheid, pragt en ftaat, dewelke

__ zommigeonder ons als een deel verwaande en ftyve gekken tegenwoordig voeren, kon=

nen onderhouden worden. Per Dewyl onzen Schryver een Franfchman van geboorte is, {preekt hy van de oudheid en tyd, op dewelke de Cacao-boom eertt aan de Franfchen, dewelke de Voor-Eilan- den van Amerika bezaten, is bekent gewor- den; en hy verhaalt uit Rochefort, dat op de

_ Eilanden van onder de wind in % jaar 1649. _ niet meer als eene Cacao-boom bekent was,

in den tuin van een Inwoonder van het E1- LAND VAN ’T HeiricE Kruis, het welk op dien tyd onder de Heerfchappy van de En- gelfchen was. En in ’t jaar 1655. weezen de Caribanen of Wilden van het Eiland MARTENIQUE aan den Heer Du Parguet , die aldaar Heer was van het Eiland, een Ca- cao-boom in een bofch, dat in de laage lan= den van dit Eiland was. Deze ontdekking gaf gelegentheid van meer andere Cacacv- boomen op te fpeuren , en ook te vinden in het zelve bofch; en het is zeer waarfchyn= N Iyk,

94 Natuur-en Konft-Kabinet.,

Iyk, dat de Cacao-boomgaarden, dewelke naderhand in dit Eiland aangeplant zyn , haar oorfprong aan deze ontdekte boomen, of derzelver zaaden, verfchuldigt zyn. « De eer« fte Cacao-boomgaard wierd op Martezigue geplant in het jaar 1660, door een Jood BENJAMIN genaamt, en omtrent twintig jaar _ daar na begonden de Inwoonders van (Mar= tenigue tich te begeeven tot de oefening van de Cacao , en het aanplanten van Cacao= boomgaarden. rh AB

18.

Zodanig een Cacao-boomgaard is even gee Iyk als onze appel-peere- en kerfle-boomgaar- den en diergelyke , in dewelke de boomen met regels geplant worden. Als iemant een Cacao-boomgaard tracht aan te leggen, (taat voornamentlyk acht te geven op de {laud- plaats van het veld, en of de grond bekwaam en vet genoeg is. Een Gacao-boomgaard _ vereifcht een vlakke grond, dewelke vochtig en voor de Winden wel befchut is; mitsga- ders een nieuwe grond, dewelke om zo te fpreeken noch maagd is, en middelmatig vet, mollig en diep van goede aarde is. Daarom zyn die gronden , dewelke nieuwelyks zyn opgeheldert, en- welker aarde zwart en zave- rig is, en dewelke voorzien zyn met cen ver» koelende Rivier , en welkers heuvelen of omringende fchaduwe het veld dekken voor de winden , voornamentlyk aan ‚de zyden van de Zee, boven alle andere ftantplaatzen de bete; daarom worden zodanige ftantplaat-

zen;

\ January en February 1721. Os

gen, als-zy te vinden zyn, ook nooit vers waarlooft of voorby gegaan. Door een nieu-

_welyks.opgeredde grond word verftaan, van

;

dewelke een bofch met voordacht tot dit

werk is afgehakt ; want het (laat aan te mere

ken , dat noch hedendaags alle de Cacao- boomgaarden geplaat{t worden in het midden van zodanige-boflchen, dewelke zo oud zyn (by voorbeeld) als de fchepping van de were reld, om dat het overige van het bofch, het: welk rondom blyft ftaan , aan de Cacao boomgaard verftrekt voor een heining of be- fchutzel voor de winden, en ook om dat zodanig een grond minder behoeft gewiedt te worden ; want een aarde , dewelke nooit veel plantgewaflen of kruiden heeft voortge- teelt, brengt ook weinig onkruidt voort by gebrek van, zaad.

19.

… De aarde vande hd a in ‚ dewel- _ke op de hoogte geplant word, heeft geen ge- _noëgzaame vochtigheid noch diepte , en de

fpil of moer-wortel, dewelke geheel lynrecht

inde diepte der aarde gaat, kan door dexuffteen

| (dewelke zy gemeenlyk op die groote ftand-

nr

plaatzen in de grond ontmoet ) geenzins doorbooren ; behalven dat-ftaan dezelve te - bloot voor de winden, dewelke de nieuwe bloeizels doen ftervenì , en voor ’t minfte dat zy maar een weinig kragtig zyn, de boomen om ver waayen of kwetzen , van dewelke

. meeft alle de wortels zeer los en fuperficieel

in zodanige gronden (taan. Het is daarenbo- EN ven

95 _ Natuur- en Konft-Kabinet; ven noch flimmer op zodanige heüvels, wel Ker helling een weinig hard en onbefchaaft | is ;- want bebalven de bovengemelde onge-_ makken zal alles, wat van boven komt, af= rollen ', als ook derzelver afwatering de goede aarde gedurig mede fleepende, allens= kens alle de wortels ontblooten ; waar uit noodzaakelyk volgen moet, dat alle zodani- ge Cacao-boomgaarden zeer luy en traag zyn in het draagen , dat dezelve nooit overvloedig in vruchten zyn, en dat dezelve ook niet lang konnen duuren. J 20. ti Maar om wederom ván de bekwaame Ca- cao-boomgaarden te fpreeken, is het niet al- leen zeer goed , dat, een Cacao-boomgaard tondom ommanteld is met een bofch, maar al daar maar eenige opene plaatzen gevonden worden, moeten datelyk groote haagen ge- plant worden van verfcheide regels Bananie boomen, dewelke eigentlyk een foort van fponsachtige rieten.zyn, dewelke zeer ras en weelderig in een nieuwe vochtige en vette grond opf{chieten , en tot een hoogte van vyf= tien én meer voeten opgroeyen: behalven dat zy dicht aan haar voet fcheutjes doen uitbot- ten, dewelke zo ras opgroeyen, dat zy zelfs binnen een jaar vruchten draagen ; waar door dit gewas binnen korten tyd zo veel grond beflaat als den planter behaagt, en daarom bes kwaam is om haaftiglyk te verftrekken tot een mantel om de wind af te“keeren, dewyl haare bladeren omtrent een en een vierendeel el lang; en 18 duimen breed zyn. Het

January en February v7ar: 07

De

AE ar.

Het ís ook noodig,dat een Cacao-boomgaard van een bekwaame grootte is; want als de= zelve te klein is, en in een valley ftaat, heeft dezelve dikwils te weinig lucht, en is als vertikt in zich zelven; want gelyk als wy de tedere plantgewaflen moeten befchermen voor de harde winden, ftormen , kwaadaar= dige rooken en aanftuivende dampen „en alte fteekende en brandende zonneftraalen „ door mantels en bekwaame haagen , moetên wy

_ ook zorge draagen,dat wy een bekwaame door=

EEE

_ ftraalingeen toegang bezorgen, van een door

haagen en boflchen gezuiverde en als gezifte Jucht, tot ververfchinge der boomen en vers

__teeringe van derzelver uitwerpzelen, als ook

om een bekwaamen uittogt te geven aan de uitwaafleming en doorwaafleming van de grond, en van den geheelen boomgaard ‚ met

alles wat daar in geplant ftaat. Als wedera

om een Cacao-boomgaard al te wyd uitge= ftrekt en te overmatig groot is, word dezel- ve te veel gekwelt van de ongemakken van de al te opene en te fcherpelucht, gelyk als ook van de al te grootte hitte en droogte, en wel voornamentlyk van een zekere foort. van een ftormwind, dewelke in Amerikaeen rkaan genaamt word, zynde een ftorm= wind, dewelke tot zyn onaffcheidelyk ken= teken heeft, dat zy in die landen binnen den tyd van 24 uuren door alle de ftreeken van't Kompas rond loopt, ftrydig tegens de ge- woonlyke en gezette winden van Amerika. _V. Deer. ii G Als

8 Masure en Konf-Kalinet,,

22:

_Als de plaats van dè Cacao-boomgaard,uite gekoren is, en de afmeetingen bepaalt zyn, begeeven de’ planters zich tot het af hakken en nedervellen van het bofch, beginnende eerft met het uitfcheuren en uitrekken der lichtíte plantgewaflen „ het afflaan der ftruiken, en heeltérs en kreupelbofchjes, het afhakken van de takken en grootfte armen van de laa ge en middelmatige boomen; hier van maa- ken zy-houdftapels, dewelke zy aanalle kan= ten aan brand fteeken; zelfs rechten zy vuu= ren op aan de ftammen van de alderhoogíte en zwaarfte boomen , om daar door de moei te, van dezelve om te hakken, te befpaaren. Zo ras als alles verbrandt is, en dat niets op, de grond-legt, als de groote ftammen van de, zeer groote boomen, dewelke zy nalaaten te. verbranden, en dat vorder al den afval en vuiligheid gereinigt en opgenomen is, begin= nen Zy lynen te trekken voor de evenredige en gelyke ‘wandelpaden en laanen, aan, de= welke zy meetftokjes in de grond fteeken van twee ‘of drie voeten hoog, elk op een tuf= fehenwydte: van vyf, zes, zeven, acht, ne= gen of tien voet , of met een woord zodanig een afltand, als zy goed vinden om de Cacao= boomen’; dewelke zy zo lang verbeelden, te, planten, Eindelyk beplanten zy de geheel opgeruimde en de gezuiverde plaats met het. Boomtje MANyoc, zich wachtende dat zy de Menyoc niet nader als op een voet aan de ingefteeke meetltokjes doen naderen, Ao

m

January en February 1721. -9p

15 u0at 7 23e Om dat onzen Schryver hier van de M a= NYOC fpreekt, zalik dezelvevoor den Lezer om deszelfs vermaartheid nader verklaaren. De (4) Inwoonders der Voor-Eilanden van Ames rika gebruiken , in de plaats van kooren,de wor= tel van een Boomtje, dat MManyoc genaamt word, van dewelke brood gemaakt word, het welke tamelyk lekker is, en dat Cassa= VE genaamt word. Deze wortel is zo vrucht- baar ‚dat een bunder lands , daar mede beplant zynde, meer Perfoonen zal voeden, als geen zes, diergelyke bunderen lands zouden kon- nen, doen, dewelke met. befte tarwe bezaait waren; zy (chiet een krom hout van de hoog- te van vyf of zes voeten, dat zeer licht om te breeken is, en vervult is met kleine kwaf= ten; haar. blad is {mal en langwerpig „ en: binnen negen maanden is.de wortel in de V oor-= Eilanden tot haar volkomen rypheid. Alsde aarde niet, vochtig is, kan de wortel drie … jaaren in dezelve goed blyven, zonder te be- derven, zo dat daar toe geen kooren-zolders van nooden zyn; want de wortel word uit + de aarde gehaalt, na mate dat van dezelve ge- bruikt word , om daar;brood van: te bes reiden. Ik zal nu van de verfcheide foorten van dit /Manyoc-Boomtje niet fpreeken , maar aanmerken, dat het zap van deze wortel ver= giftig is, gelyk als de dulle kervel; maar na G 2 dat

(a) Ziet de Natuurlyke Hiftorie van de Voor-Eilan- nee a Amerika, door Charles de Roshefors Kaps it k tE,

zoo Natunrs en Konft-Kabinet ;

dat dit zap 24 uuren uit zyn wortel is ge- trokken, verlieft het zyn vergiftige hoedanig- heid; de manier, op dewelke van deze Ma- nyoc-wortel de Caflave of het brood gemaakt word , befchryft (a) onzen Schryver zelfs in zyn zesde aanmerking achter zyne verhande= linge over de Cacao.

24.

De ondervinding heef geleert, dat de Ca- cao-boomgaarden, daar de boomen op een grootte tuffchenruimte, by voorbeeld van acht, negen of tien voeten, van malkander geplaat{t (taan, veel moeite koften om klaar en zuiver te houden in de eerfte jaaren ; maar als dezelve op een goeden grond aangelegt zyn, gelukken zy zeel beter , en draagen overvloediger, en duuren langer. De In- woonders , dewelke niet zo magtig van flaa- ven of werklieden zyn, planten de Cacao= boomen veel dichter by malkander , waar door zy een aanmerkelyk grooter getal van ftammen of boomen verkrygen, en ook veel moeite befpaaren om dezelve zuiver te hou- den; en wanneer in ’t vervolg de boomen tot malkander groeyen, hebben zy reets al eeni- ge goede inzamelingen van de Cacao verga- dert ; waar door zy zich zelven in hunne hoogdringendfte benodigdheid voorzien ; en als % al op zyn kwaadfít dreigt te koomen, roe- yen zy eenige Cacao-boomen , dewelke te dicht taan, uit de grond, om aan de overige

een

(a) Ziet Remargae VI, far quelques endroits, du Traité du Gacao.

January en February 1720. ror een vrye lucht te geven. Op de Kuft van Caragues planten zy in de Cacao -boom- gaarden, de Cacao-boomen twaalf en zom- tyds vyftien voeten van malkander, en zy maaken eenige waterleidingen , om de grond van tyd tot tyd te bevochtigen in de groot(te droogtens ; en de Franfchen hebben zedert eenige jaaren van deze gelukkige ondervin- dinge op Martenigue ook een goed gebruik gemaakt; want dewyl de groote tuílshen- ruimtens met MMaryoc beplant worden, ge= nieten zy daar door goed voedzel voor hunne Negers of Slaaven, en beletten dat de nieu- we grond zo veel onkruidt voortbrengt , als anders zoude gefchieden ; behalven dat zy noch een goede fchaduwe verwekken voor de opkoomende Cacao-boomen ‚ welker blade. ren en bloemen de al te groote hitte der zon niet al te wel konnen verdraagen,

25. Alle de Cacao-boomen worden voortgeteelt of geplant van haar zaad of Cacao-boonen, want deze boom laat zich door geen ftek

__ voortplanten , en deszelfs hour fchiet geen

Ápruiten of jonge {cheutjes. Na dat de Ca- €ao-boonen uit haar bolfters gelicht zyn, Worden zy geplant op een regel ‚den eenen na den andere, wanneer eerft door een bek waa- me en {cherpe tuin-klauw de aarde behoor- lyk aan akkertjes is geklauwt, en gezuivert van bedurve en verrotte wortels van boomen als anderzins. De Cacao-boonen worden geplant op die plaats, daar de meet(tokjes in

e 3 gen

108 Natuur= en Konft-Kabinet ;

gefteken zyn, en de uitgenomene meetftok- jes worden een weinig ter zyden in de grond gefteken, op dat zy voor een teken zouden konnen verftrekken van elke plaats daar een Cacao-boontje geplant is, en dit word ver= wolgt tot dat de geheele Cacao-boomgaard beplant is. Zy neemen ook in acht, dat de Cacao-boom niet geplant word met al te droogen weer; ook planten zy dezelve met de nieuwe maan, en in de koelfte tyd van het jaar. De Cacag-boonen , dewelke tot deze voortplantinge gebruikt worden, moe- ten zyn de grootfte , de gevoedfte , en de rypfte. In het inpooten van de Cacao-boon , moet dezelve met het dikfte einde na bene- den in de grond gefteken worden, want als dezelve met het dunfte einde beneden of plat leggende ingepoot wierde, zoudedeftam van de boom kwalyk gedyen. Het is ook van een noodzakelykheid, dat op eene plaats, of in de holligheid van elk meetftokje, twee of drie Cacao-boonen ingepoot worden, of het by ongeluk gebeurde, dat door de mieren, wurmen , of andere ondiertjes, een of twee boonen bedurven wierden, of dat derzelver uitfpruitzels boven op de grond afgegeten | wierden, of door het een of het ander onge- luk gebroken wierden, dat ten minften een overblyft om te groeyen tot een boom. En als het al gebeurt, dat zy alle drie behoorlyk opkoomen, fteekt hier in noch dit voordeel, dat de rechtíte en kragtigfte ftam uitgekoren kan worden , terwyl de twee overtollige worden uitgeroeit; maar deze twee overtol- / lige

EEE

:

Fannry en Pebrúar) Y7rie 163 Tige worden niet eerder uirgeroeit, vóor dát de ftam begint te kroonen, en de jonge en tedêre boomrje$ haar meefte gevaât hebben uitgeftaan, ; 26.

_ De geplante Cacao-boonen kooten óp bin- nen acht, tien of twaalf dagen, na dat detyd voördeelig tot de groeyinge is geweelt.. Het langwerpig greintje; het welk in elke Cacao=

boon gevonden word , opzwellende, ftoot

een klein worteltje (het welke het zelfde uit- fchiet) na om laag, en dit word. naderhand de fpil van de wortel van de boom; en na boven ftoot dit zelfde kleine greintje een veert= je uit, het welke is het kleinfte ontwerpje van de toekoomertde ftâm en deszelfs täkken. Terwyl de deelen eerft beginnen óp te groë-

jen en zich van tyd tot tyd te ontwinden;

koomen de lobben (maar een weinig vart malkander gefcheiden en gekrult ) van de Ca= Câo-boon eerft uit de grond, en na maat dat dit plantje opfchiet, ontwinden en ontrollen Zich deze gekrulde lobben van de boon, eit Onderfcheiden zich geheellyk in twee volko-= me bladen van een verfcheide gedaante, vari een donkergroene koleur en dik van blad, zeer oneffen, en als gefronzelt úitmaäkende, het welke genaamt word de oorer van de plant; de veer vertoont zich ook ter zelver tyd, En verdeelt zich in twee tedere blaádjes, de- welke verfch gegroeit en van éen heldere groêne koleur zyn; deze blaadjes ftaán dwârs tegens malkander over, en wordefì gevolgt

G 4 van

zog _Natuur- en Konft-Kabinet, van twee andere, en deze wederom van twee andere, terwyl ondertuffchen de ftam even- redig opfchiet, en vervolgens in hoogte toe= neemt, tot den tyd van een geheel jaar of daar omtrent.

27.

Als nude Cacao-boonen geplant zyn, moet de planter om de vyf a zes dagen de geheele plantery doorkruizen, en overal fcherp en zeer zorgvuldig toekyken , welke Cacao-boonen opkoomen, en welke niet, om in de plaats van die boonen, dewelke geen vrucht gevat hebben, andere Cacao-boonen te planten. De nieuwe uitfpruitende veertjes en bladertjes van de Cacao-boonen worden veeltyds zeer ge= plaagt van alderhande foort van ongedierten, dewelke dezelve af knaagen en bederven, het welk de reden is, waarom gedurig op alle plaatzen moet gezien worden na de nieuwe planten, en boonen gefteken worden in de plaats van die plantjes, dewelke bedurven zyn. Zommige planters maaken een Cacao= boom-kwekery, daar. overvloedig veel jonge boomtjes in aangekweekt worden, om de- zelve gedurig over te planten in de Cacao- boomgaard, op die plaatzen daar de jonge boomtjes bedurven worden of uitgegaan zyn; maar onzen ervaaren Schryver oordeelt ech= ter, dat het veel beter is zulks gedurig met Cacao-boonen wederom te vervullen , om dat de Cacao-boom het verplanten niet al te wel verdraagen ‚kan , en zeer lang ftaat te kwynen, eer dezelve wederom op haar ver= haal kan koomen.

Niets

| January en February 172t. [ros id 28. _ Niets is zo noodzaakelyk voor de welftand van de Cacao-boomgaard , als het naarftig- Jyk uitwieden van het opkoomende onkruid, het welk met de geheele wortel moet uitge- __ trokken worden; want als een kruid of plant, over * hoofd gezien zynde, in het zaad fchiet, baart zulks naderhand zeer veel moei- te en ongemak. Dit gedurig en laftig uit- Wieden moet waargenomen worden, zo lang als de Cacao-boomen zyn groot geworden, en met haar kroon , takken en fchaduwe, het opkoomen van het onkruid beletten, het welk veel gefchiedt door het nedervallen der bladeren en bloemen van de Cacao-boom, _ dewelke den geheelen grond bedekken, en het onkruid op veel plaatzen verftikken. Na dezen tyd is het genoeg, dat de planters en oppaflers eenmaal ’s maands door de Cacao- boomgaard wandelen, en overal naauwkeu- rig toezien, en het onkruid uitroeyen. Het onkruid moet ook zeer verre buiten de plan- tery, en zelfs buiten het bofch gebragt wor- den, op dat het zaad door de harde winden | niet in de lucht opgeheven, en in de Cacao- |_boomgaarden neder geworpen mag worden.

29. Zo haalt als de Cacao-boomen negen ‚_ maanden oud zyn geworden, is het tyd om een begin te maaken van het uittrekken van de Manyoe, en daar zo wel mede voort te vaaren, dat binnen den tyd van drie maanden al de Manyoc is uitgetrokken. Na mate dat Gs de

to6 Natuur-en Konft-Kabinet ,

de Manyoc uitgetrokken is, konnen in het midden van de wandelplaatzen of laanen we- derom een of twee reyen of regels Manyoc= boomen herplant worden, en de overige plaat- zen konnen bezaait worden met komkommers, kauwoerden of pompoenen; ook geele kau- woerden, giraumonts genaaimt, als ook Ca- ribaanfche kool, om dat alle deze gewaflen met zeer groote en bedekkende bladeren voor- zien zyn; waar door de grond word bedekt, vochtig en vruchtbaâr, en zeer koel gehou= den , en voor de groote brand der zonneftraalen word befchermt , En verfrift, behalven dat op deze wyze hetgroeyen van het onkruidt word belet. Maar als eindelyk de Cacao-boomen tot haar volkoomen wasdoin gekoomen zyn, moet alles uitgetrokken , en de grond gezui- vert worden, om dat door de groote kroo- nen der Cacao-boomen (dewelke door haar fchaduwede grond bedekken) het vorder groe- yen van moesplanten en diergelyke zaaken belet word.

0.

De Gaths herme va een jaar hebben ge- meenlyk een ftám van vief voeten hoog, en beginnen haar hoofd te maaken , door het uit- fchieten van armen of moertakken aan des- zelfs kruinen; waar door eindelyk dat gedeel - te van den boom gevormt wotd, het welk de Kroon wörd genaamt. Het gebeurt zeer zelden , dat de kfoon van de. Cácao-boom minder als vyf moer-takken heeft; en zo räs

ook door eenig toeval , of tEgêns de gewoon- iyke

famuary en February 1921. To7 Iyke wasdom van dezen boom, aan dezelve

_ maar drie of vier moertakken gevonden wor-

/f

den, zal de boom ook nimmer wel gedyens daarom is het beter dezelve datelyk te kop- pen, en éen andere kroon te verwachten, de= wyl dezelve matiglyk ras gevormt word.

Bi. _ Omtrent het uittrekken van de Maryoe moet noch aangemerkt worden, dat als des-

elfs zwaare planten, dewelke maar een voet

Kiem

in het ronde van elke ftam van de Cacao= boomen afgeplant ftaan, niet binnen het jaar worden uitgetrokken, dezelve grootelyks be- madeelen; zy trekken door haareal te nabyheid

_ te veel voedzel uit de grond, daar de wortel van de Cacao-boom doorfchiet; zy vertrâa- gen het vrucht draagen der Cacao-boomen, „waar door dezelve te veel opfchieten in hour;

haar flammen worden te hoog, te rank, de

_ Kroonen te ydel, de moertakken niet genoeg

uitgefpreidt, en te veel blood geftelt aan de winden; en de boom verkrygt nooit zyn ge= woonlyke cieraad , natuurlyke gedaante, en

aangenaame uitgefpreidheid,. Zo ras als nu

alle de ffammen gekroont zyn, worden tê overtollige water-looten en uitfpruitzels der takken zorgvuldig afgefnoeit, waar door de kroon een aangenaame gedaante verkrygt. Als ook dit moeyen niet op zyn behoorlyke tyd, en met veel zorgvuldigheid, ervarend- heid en kennifle, word waargenomen , is het naderhand zeer moeyelyk , een goede kroon te vormen } behalven dat ook de boo=

men,

168 Natuur= en Konft-Kabinet ;

men , dewelke zo zeer in malkanderen ver- wart zyn , malkanderen eindelyk befchadi- gen.

2 De Cacao-boom ie niet zo haaft gekroont, „of de nieuwe uitfpruitzels vertoonen zich een duim of twee onder de kroon; als deze niet afgefneden wierden, zouden dezelve onder de kroon een tweede kroon uitmaaken, en on- der deze door nieuwe uitfpruitzels wederom een derde kroon, enz. Waar uit de Lezer een denkbeeld kan vormen van de gedaante van ongeoefende Cacao-boomen , dewelke in de boflchen en velde, en in ’t wilde ge- vonden worden. Op dit affnoeyen van zo= danige nieuwe en onnutte uitípruitzels moet elke maand zorgvuldig gepaft worden. Ten opzicht van het jaarlyks fnoeyen van de Ca-= cao-boomen zelfs, oordeelt onzen Schryver, dat het zeer dien{tig is, gedurig te paffen op het doode hout, het welk aan het einde van de takken gevonden word, en het zelve af te fnoeyen tot aan het levendige hout , gelyk zulks zeer naauwkeurig waargenomen word van de Spanjaarden ; waar door hunne Cacao- boomen veel fchoonder en beter zyn, en ook meerder vruchten voortbrengen, als de Ca- cao-boomen der Franfchen op Martenigue, dewyl deze het wegfnoeyen van het doode hout verwaarlozen.

SEN Na mate dat de jonge Cacao-boomen groe= yen en grooter worden, laaten zy allenskens haare

\

Sannary en February 1720. rog __haare bladeren vallen; en na dat de bladeren gevallen zyn, beginnen zy knop te íchieten en te bloeyen; hoewel zy deze eerfte bloey- _ els ook wederom laaten vallen, en zelden vruchten beginnen te draagen voor het derde _ jaar. In het vierde jaar is de Cacao-oogft _ middelmatig , maar in het vyfde jaar is de boom in zyn befte kragt van draagen, en _ geeft het geheele jaar door bloem en vruch- ten van verfcheide trappen in rypheid en groot- te; hoewel echter zommige maanden zeer _ weinig rype vruchten te gelyk aan den boom e gevonden worden, maar in elke zonneftand zyn de boomen meeft belaaden met rype _ vruchten. Wanneer het gebeurt, dat door een ftorm of orkaan de Cacao-boomgaard word _ overvallen, eu daar door zommige Cacao boomen om ver zyn gewaait, konnen dezel= ve. wederom herftelt worden ; als de {pil van de wortel omgebogen ‚maar niet gebroken is, moet de boom opgerecht, en wederom in de zelfde plaats herftelt worden, en van de rondom leggende aarde wel voorzien, en eenigzins hoopsgewys’, rondom deszelfs tam wel voorzien worden; waar na de boom ge- meenlyk binnen zes maanden wederom in zyn vorige bloey herftelt is. Dus verre van het aanrechten en de oefeninge der Cacao-

boomgaarden.

EC Cd bat Twaalf

oa Natuur-en. Konft-Kabinet s °

@S5E DSP OSS OSL OSS OSLO

Twaalfde Verhandeling van de- Oudheid der Natuurlyke Hiftorien , en van de … Natuurlyke Hiftorikunde der - HE= BREERS, en in dezelve het vervolg _derophelderinge vande WATEREN van Paleftina , en wel voornamenthvk vande Rivier ARNON, gelegen tufs fehen Paleftina en de Woeftynes

E.

Ní dat wy in de voorgaande Verhande. tingen, over de Wateren van Paleftina „ befchreven hebben de Natuurlyke Hiftos rien, van de Doode Zee, den Grooten For= daan, de Galileifche Zee, den Kleinen Jor= daan; de Zee Sibbecheum, het Meir Phiala, de Wateren van Dan, zyn wy overgegaan tot de befchryvinge van de Wateren, Vloeden en Vlieten, dewelke aan de ooftzyde, of uit de landen van over de Jordaan, haare wateren ontlaften in de Doode Zee, in den geheelen: Jordaan enz. Onder deze Verhandelingen hebben wy ontdekt, dat de eerfte Vliet, de- welke zich ontlaft in de Doode Zee, uit de Overjordaanfche Landen , is de Vliet (a) ZARED of ZerED. By deze gelegentheid heb ik befchreven. 1. De Vliet Zared, dewelke vloeit

(a) Ziet Natuur- en Konft-Kabinet Mey en Juny -

T720. pag: sor, ende volgende,

Fanuaryen February ren. vu _ loeit door het Land der. Moabiten. 2. Het | and depafnagsien. voor een gedeelte. 3. Het _ Landder Edomisen „en veele aaloude Steden in _ het Land der Edomiten en fteenig Arabien. 4 De verfcheide woeftynen, dewelke gelegen waren in de algemeene Woetìyne van Mo- ‚ fes, en derzelver aaloude Steden, Wateren, _ Bergen, Mineralenenz. s. Ineen afwykinge, 4 befchryvinge der Wateren tuflchen Rame- fes in Egypten en de Roodé Zee. En einde= _Jyk 6, In twee verfcheide verhandelingen , hk Natuurlyke Hiftorie van de Roode Zee: na welke afwykinge wy wederom zullen

overgaan tot de Natuurlyke Hiftorie van de

tweede Rivier, dewelke zyne wateren ont- Taft in de Afphaltifche of Doode Zee.

' 2x N Gelyk als. de Rivier Zared.is de eerfte Rí- ier van die gene , dewelke haare wateren ontlaften aan de zuidooft zyde in de Doode ce, ZO is de Rivier ARNON de tweede; gelyk gezien kan worden in het Kaartje van Î 5) Paleftina. Gelyk de Rivier Zared het Liaand ger MMoabiten in het zuiden affcheide van het Band der Edomtten, fcheidt de. Rivier Amr- ON het Land der Moabtten in het noorden van het Land der Axzorsten, dewyl het Land- fchap Moatitis tuflchen de Edomiten en A» moriten ingelegen was, gelyk wy voor der zen overvloedig genoeg aangeweezen hebben; en gelyk de Rivier Ar NON de noorder dee- é len (2) Ziet Tabula VI: achter ’tNatuur. en Konft-Ka- binet Septemberen October 1719;

ri2 Natuur- en Konft-Kabinet;

len van het Landfchap Moabitis beknabbelde;, befpoelde dezelve de zuider boorden enz. van het Land der Amzoriten. Jolephbus (a) gee tuigt ook , dat de Rivier ARNON een grens= fcheiding was tuffchen de Moabiten en Amo« riten ; dezelve krygt zyn oorfprong van de grenflen van Arabien, en vloeit door ver- fcheide vruchtbaare Landen aan de overzyde van den Jordaan, en ontlaft zich in de A phaltifche Zee.

3: Wy vinden by de aaloude Schryvers zeer « weinig aangetekent, het welke kan dienen |

tot ophelderinge van de Rivieren en Vlieten,

gelegen aan de overzyde des Jordaans, en by | de latere Schryvers noch veel minder. Alles | is door de overftroominge der Saraceenen, en | door onze onkunde van de Arabifche en an-

dere Oofterfche Schryvers, weg geraakt, er legt in een diepen put van duiftere onwetend-

heid. Ik zal echter de Natuurlyke Hiftorie van de Vloedt Arxon, en van deszelfs naaftgele= | ge wateren, mede deelen zo veel als my be- | kent is, Van deze Vliet ARNON word op «

verfcheide plaatzen in de Heilige Bladeren ge-

fproken. De Man Gods Mofes , de Prinsen :

alderoudfte der Natuurlyke Hiftorifchryvers ,

zegt (4) van het Leger der Kinderen Ïfíraëls:

Van daar reifden zy, ende legerden zich byde beeke Zered. Van daar reifden zy, en leger=

den zich aan deze zyde van ARNON, welke

in (a) Vid. Antiguit. Lib. IV.Gap, 4. (4) Ziet Numeri Kap. XXI, en XXI.

Fanuary en February 1720. 113 én de woeftyne is, uitgaande uit de landpaale der Amoriten : want Arnon is de landpaale van Moab, tuffchen Moab, ende tuf]chen de Amo- riten. —- Doe zond Ifraël booden tot Sibon , den Koning der Amoriten , zeggende + Laat my door uw land trekken, wy zullen ziet af- wyken in de akkers, noch in de wyngaarden, wy zullen 't water der putten niet drinken, wy zullen op den koninglykenweg gaan, tot dat ay uwe landpaale doorgetogen zyn. Mofes beloofde noch daarenboven , dat niemant zoude befchadigt worden, en dat zy alles voor geld zouden koopen, zelfs tot het water toe. _Maar de Koning Sibon wilde het verzoek van Mofes niet toeltaan, en trok met zyne krygs-

… knegten het leger der Kinderen Ifraëls te ge-

moet, dog hy wierd verflagen, en Ifraël nam _ zyn geheele land in erfelyke bezittinge, van de Rivier Arzon tot de Rivier Jabok toe. Door deze overwinninge, als ook door an- dere met Og Koning van Bafan, baanden de Kinderen Ifraëls zich den weg tot aan de Jor- _ daan. De Kinderen 1fraëls hadden voor deze veldflagen vergeefs verzocht door te trekken door het land der Edomiten, en het land der Moabiten ; maar dewyl hun dedoortogt door die beide Heerfchappyen geweigert wierd, reis- den zy boven die Heerfchappyen om, aan de ooltzyde, door de woeltyne van Arabien, en baanden zich eindelyk een weg door de lan- den der Amoriten, em door die van Og (a) met geweld, Wy moeten aanmerken , dat deze Vliet Arnor door een vruchtbaare en V. Deer. H wel (4) Ziet Richteren Kap. XL.

114 Natuur-en Konft-Kabinet,

wel geoefende landsdouwe vloeit, omdat zy begint van debergen van Arabien, Galaad ge- naamt, en tuflchentwee bewoonde Koning- | ryken doorvloeit ; want dat de landen, daar # zy doorvloeit, vruchtbaar zyn, blykt (behal- # ven de meldinge hier boven van de akkers, van de wyngaarden, van het water der putten enz.) uit verfcheide plaatzeninde Heiligebla= # deren. Het gedeeite van Arabien, het welke bo= # ven deze Koningryken, in tegenftellinge van | deze beide Koningryken, gelegen was,word in de Schriftuur een Woeftyne genaamt, gelyk be- halven op veel plaatzen ook gezegtwordin (a) | Richteren, Ende zy namen erfelykinde ganfche landpale der Aimoriten, van ARNON af tot FABOK , ende van de woeflyne tot aan de | Jordaan, Van de Rivier Arnonjtot de Rií- | vier Jabok is van het zuiden tot hetnoorden, | en van de woeftyne tot aan de Jordaan ís van het ooftentot het weften.

Zommige OENE de Rivier Arnon met een Stadt ARNON, alsof Arzon geen naamvan | die Vliet, maar alleenlyk van een naby gele- | ge Stadt geweelt zoude zyn; maarde Heilige | Bladeren zeggen. (b) Zerwylen Ifraël drie hondert jaar gewoond heeft in Hesbon ( de Hoofdf{tadt der Amoriten ) ende in haare Stes dekens, ende in alle de Steden die aan de zyde van ARNON zyn; waar uit niet alleen blykt, gelyk ook uit andere plaatzen, dat Arzon een Rivier is, maar het is ook waarfchynlyk,

dat, (a) Kap. XI: vers 22, (6) Kap. XI. vers 26.

- é e SYanuary en February 1721. fis dat aan de boorden van Argon verfcheie de Steden gelegen hebben , gelyk ook zelfs een Stadt Arzox gelegen heeft op de rot- zen Arnon, daar de Rivier van begint. De Heilige Bladeren noemen de Rivier ARNON gewoonlyk maar een Beek , gelyk als Mofes _{4) verhaalt dat Godt tot hem zeide: [Maakt # op, reifk henen, ende gaas over de beeke ARNON. Hier moeten wyaanmerken, dat de Rivieren van Arabien op zommige tyden van het jaar, voornamentlyk in het droogfte en heetfte van de zomer , dikwils zo fimal _ worden, en zo weinig water inhouden, dat dezelve maar als geringe beeken fchynen. _ Zommige worden boven dikwils geheel droog, en met gul zand overftelpt, onder het wel- ke het water kreeks-gewyze doortogten maakt, en zich ontlaft of in de Zee of in andere groote Rivieren, gelyk wy van het Koning- rykApeLr en andere boorden vande Roode Zee geleert hebben ; maar deze zelfde Rivieren zyn in de wintertyd, of in de regenmaanden, of als de wolken op de hooge toppen der bergen gebroken worden, dikwils niet alleen van een aanmerkelyke breedte, maar krygen zo veel water , dat haare boorden overvloeyen; het welk ook van de Rivier Arzon zeer wel te denken is, om dat dezelve zyn oorfprong. van zeer aanmerkelyke en hooge bergen ver- krygt, en dat aan deszelfs boorden zelfs ver= fcheide Steden gebouwt zyn geweeft, gelyk als onder andere de Stadt ArorRr, volgens Ha de

(a) Ziet Deuteronomium Kap, II: vers 24.

t16 Natuur- en Konft-Kabines,

de getuigeniffe van den Man Gods Mofes: (a) Van AROER af, dat aan den OEVER DER BEEKE ARNON ts, endede Stadt , die aan) de beeke is, ook tot Gilead toe, was er geen eene Stadt die voor ons te hooge was.

Se De Landen, door dewelke de Rivier Ar= non vloeide, zyn door Mofes gegeven aande Stamme van Ruben, en aan de Stamme van Gad, die niet over de Jordaan wilden trekken, maar deze landen verzochten om haare vrucht- baarheid en voortreffelyke weiden. Mofes befchryft dit zelfs: (b) Daar na keerden wy ons, ende toogen op , den weg van Bafan : ende Og, de B van Bafan, trok ust ons te gemoet, nde de Heere onze Godt gaf ook Og, den Koning van Bafan, ende al zyn volk in onze hand: zo dat wy hem floe- gen, tot dat wy beim niemant lieten overblyven, Ende wy namen te dier tyd alle Steden, mmm Zeftig Steden, de ganfche landftreek van Ar= geb, bet Koningryke van Oz in Bafan. Alle die Steden ware met hooge mnuren, poorten, ende grendelen gefterkt : bebalven zeer veel onbemnarde Steden. — Zo namen wy te dier tyd het land uit de banden van de twee Koningen der Amoriten, die aan deze zyde der Jordane waren, (Mofes fpreekt hier als zynde over de Jordaan, gelyk bekentis) van de beeke ARNO N tot den berg Hermon toe. mm Dit zelve land vu namen wy te dier tyd in (a) Ziet Deuteronomium Kap. II: vers 36. Kap. III,

ap ee

Panuary en February 721: 117 zu bezit: van Aroer af, dat aan de beke AR- NON is, en de helft van ’t gebergte Gileads, met de Steden van dien, gaf ik den Rubeniren en de Gaditen. Ende ’t overige van Gilead, sitsgaders °t ganfche Bafan , het Koningryk Ogs, gaf ik aan de halve Stam van Manaffe.

6.

De Joodfche Hiftorifchryver Havius Fofe- pbus regt, dat de Rivier ARNON geboren word van de bergen van Arabien, dat dezelve als dwaalt door bet midden der Woeftyne, enzich naderband ontlaft in de Doode of Afphaltifche Zee, nadat dezelve de landen der Moabiten van de landen der Amoriten heeft afgefcheiden , mitsgaders dat deze landen vruchtbaar genocg zyn om voedzel te leveren voor hunne Beke. genen. Hier uit blykt klaar genoeg, dat wy de Rivier ARNON geenzins moeten aanmer- ken als een klein beekje of vlietje, maar als een Rivier van belang, want ten opzicht van de Rivieren behooren wy ons in gedachten

te brengen, dat wy derzelver aanzienlykheid en grodtheid juift niet moeten bepaalen nade geringheid der wateren, dewelke in zeer hee- te, dorftige, en drooge jaartyden, indezelve gevonden worden , maar na de bedieninge of funtlie, dewelke dezelvein dedagelykfche werkdaaden van de Natuur bekleedt. De Rivieren dezes aardryks moeten aangerherkt worden, als de bloedaderen in de lichaamen der levendige dieren, dewelke uit de inge- wanden , ledemaaten , en uiterlyke deelen des menfchelyken lichaams , het verftrooide

H 3 / n

118 Natuur- en Konft-Kabinet,

en overal verfpreide bloedt als by malkander raapen, en wederom na ’ hert, en vorder in den algemeenen Oceaan des bloeds overbren- gen; zodanige Adertakken worden nu meer- der of minder aanzienlyk aangemerkt , na dat het deel, uit het welke zy het bloedt op- flurpen en te rug brengen, groot en aanmer= kelyk is, zonder juift acht te geven, of zo= danige adertakken altyd even veel bloedt in zich draagen. De bediening van een Rivier is 1. Het overtollige water van de hoogte na de laagte te geleiden. 2. Daar door te veroor- zaaken , dat de naaftgelege tanden droog en bo= ven water blyven, en voor te koomen dat de- zelveniet bederven ofin een groote waterplas veranderen. 3. Het water „dat door de warmte van de zon gedurig uit de zee na boven en op ’t land word gedraagen, wederom van de bergen en landen af te voeren in de zee ; behalven een ontelbaar getal andere fundiez en bedieningen, tot den dienft en het gebruik voor de menfchen en dieren. Na dat de bergen groot, hoog en wyd uitgefpreidt,} en de landen groot zyn, van dewelke een Ri- vier de wateren moet vergaderen, en in de zee ‚of meiren, of vloeden, of ín andere groote rivieren , of elders heen geleiden , moet ook de grootheid en de aanzienlykheid van zodanig een rivier gefchat worden, maar geenzins na de hoeveelheid van water , het welk op zommige tyden in dezelve gevonden word. Wy vinden in zommige heete landen zeer ontzachelyke rivieren , dewelke in de heete zomer geheel uitgedroogt zyn, en ‚e

e

January en February var: 1 Ig de winter een kleine zee verbeelden. Op zommige plaatzen zyn meiren, in dewelke des zomers gejaagt en alderhande wild ge- vangen, en des winters met {chepen gevaaren word. Als wy nu op deze wyze den Rivier ARNON overweegen, zal dezelve aan ons als een zeer vermaarde, groote en aan- zienlyke Rivier voorkoomen. 1. Om dat de- zelve geboren word van zeer groote, hooge en wyd uitgeftrekte bergen. En 2. Om dat dezelve door zeer veele landen vloeit, en zeer lang is, gelyk ook verfcheide fteden aan deszelfs randen en boorden gebouwt zyn ge- weeft,

7:

Ik zal , om de aanzienlykheid en grootheid van de Rivier ARNON te bewyzen, geen be- ter getuigen konnen bybrengen, als den Jood- fchen Hiftorifchryver- Fravius JosePuus. IE. Om dat dezelve zo naby zyn geboorte- land, en daar hy oorlog gevoert heeft, ge- vonden word. 2. Om de naauwkeurigheid

en oplettendheid,dewelke wy in dezenSchryver _overal omtrent de Natuurlyke zaaken gewaar _ worden. Fofephus merkt de Rivier Arnox niet alleen aan, als een grensfcheidinge der Moabiten en Amoriten, maar ook ais een bolwerk tegens de Woeftyne van Arabien; want Fofephus verhaalt, dat Sibon , Ko- ning der Amoriten, zyn Leger geplaatít had- de aan de boorden van de Rivier ARNON, om aan Mofes den overtogt van de Rivier, en op die wyze het indringen in zyn land, te é H 4 be-

120 Natuur- en Konft-Kabinet ,

beletten. Dit Landfchap der Amoríten, het welk naderhand aan de Stam van Ruben ten deel is gevallen, was uit de natuur zeer fterk, dewyl het zelve byna als een Eiland aan alle kanten met rivieren was als omringt. Jofe- pPhus (a) zegt: Dit land legt tuf]chen drie ri- vieren, op de manier als een Eiland, want de boorden van den ARNO N bepaalen des- zelfs zuidzyde. Ende Rivier FABOK be- paalt deszelfs noorder grenzen, alwaar dezelve zyn naam in de Jordaan verlieft,en deszelfs wef- zelyke deelen worden befpoelt van den FO R- DAAN. Na deze befchryvinge zoude de ooftzyde van het land der Amoriten bepaalt worden doorde Woeftyne van Arabien, maar de Rivier ARNON vloeit ook tuflchen de Woeftyne en het land der iAmoriten , aan de ooftzyde van het Land der Amoriten, dat is: de Rivier Argon word voortgebragt van het gebergte van Arabie, en loopt zeer lang langs de woeftyne, langs de ooftelyke boor- den van °t Land der Amoriten, van het noor- den naar het zuiden, maar eindelyk gekomen zynde aan de grenzen der Moabiten, keert dezelvezich als met een elleboog van het oo- ften na het welten, om deszelfs wateren te ontlaften in de Afphaltifche Zee, gelyk ge- zien kan worden in ons (4) Kaartje van het Heilige Land; behalven dat hier aangemerkt

moet worden , dat ik dit Kaartje alleenlyk : maar

(a) Vid. Fofepb, Autig. Lib. IW. Cap. $. (4) Ziet achter ’t Natuar- en Konft-Kabi= ‚zes September eu OZaber 1719, Tab. VHL

January en February 1720. Tar maar heb laaten {nyden, tot ophelderinge van __de geheele Jordaan en deszelfs meiren, en op de nette plaatzinge en ftandplaatzen der andere Rivieren zo naauwkeurig niet ben geweeft alsik hoope dat ik na dezen in nadere Kaart-, jes zal zyn; daarom dient de Lezer de flroom Arnon met zyne gedachten meerder naar het noorden, en nader aande Rivier Jabokte doen naderen, om tegelyk tebegrypen, volgens de verklaaringe van Fofepbus, dat het Land der Amoriten als een Eilaud in drie Rivieren be- floten legt. :

Het gebergte, of de fteenrotzen , van de= welke de Vloedt Arzoz zyn oorfprong krygt, worden ook de Rotíteen A RNON genaamt, want Mieronymus (a) zegt, dat ARNON een zeker rots in de hoogte opgeheeven, op de grenzen der Amoriten, tuilchen de Amori- ten en de Stadt Moab was, en dat dit /Zoab by zyn tyd Areopolis genaamt wierd. Eufebius zegt, dat deze Stadt Moab of Areopolís een grensplaats van Arabie was, en dat noch by zyn leeftyd een zeer fteile, gevaarlyke, en als afgebroken plaats getoont wierd, dewelke ÂRNON genaamt wierd, en in het noorden van de Stadt Areovpolis afgelegen was: en dat uit dezelve de krygsbezertingen overal firoo- pingendeeden ; maar wy moeten hier in acht neemen, dat deze Rots Arzon niet anders is gls een tak van den grooten Berg Galaad, van dewelke wy voor dezen gefproken heb-

H

5 ben ; (a) Vid, Hieronymus de Loets Hebraicis.

122 Natuur- en Konft-Kabinet,

ben ; en wat de Rivier ARNON (dewelke van deze bergen zyn oorfprong krygt ) be= langt, was dezelve altyd een grenfIcheiding tuflchen de Kinderen Ifraëls of de Stamme Rubens en Gads (dewelke over de Jordane woonden ) ende landen der Moabiten, gelyk dezelve te voren een grenflcheiding geweeft was tuflchen de Moabiten en Amoriten, welker landen de Kinderen Ifraëls tot hun erfdeel gekregen hadden. Hier door konnen wy nu zeer naauwkeurig bepaalen , dat de Kinderen Ifraëls, dewelke over de Jordaan gewoont hebben, de landen bezaten, dewel- ke gelegen waren tuflchen de twee Rivieren, namentlyk de Rivier Arzon en de Jordaan; en de Kinderen Ifraëls , dewelke aan de noord= zyde van de Rivier Jabok over de Jordaan gewoont hebben, de landen bezaten tuflchen de groote regels bergen van Galaad en de Jordaan tot aan de Galileifche Zee,

9.

Zommige zyn van gedachten, dat zich ver- fcheide Vlieten, Beeken en Vloeden, in de Rivier Argoz, als in een algemeene boezem ontlaften, het welk wy niet tegenfpreeken, maar dezelve zullen van geen uit{tekend groot belang geweeft zyn; want Mofes (a) noemt dezelvede BEEKEN ARNON. Wy konnen zeer wel begrypen, dat in een ftreek lands van die lengte, en ín een land vol bergen, rotzen en heuvels, verfcheide kleinerivieren; beeken, afwateringen en natuurlyke gooten, wor-

(a) Ziet Numeri Kap. XXI. vers 14.

Sfanuary en February 1721. 123

worden gevonden, door dewelke de wateren van alle kanten afvloeyen in de Rivier Ar= non, dewelke een rivier van belang is; want _ Galenus, een Prinsder Geneesheeren, fchynt dezelve: op het oog te hebben, daar (a) hy zegt, dat in de Doode Zee twee Vloeden haare wateren.ontlaften ; dat in deze vloeden goede of groote viffchen gevonden wierden; dat de voornaamfte van die twee vloeden was de Jordaan, dewelke niet verre voorby Je= richo vloeit; en buiten twyfel zal de andere, dewelke Galenus niet noemt , de Arzoz ge- weeltzyn, wanthetisniet waarfchynlyk, dat hy de Vlier Jared, die zeer hoog na ’t zuiden was, gekent heeft, Io.

Onder de rivieren » dewelke gemeenfchap hebben met de Rivier ARNON, ftelt Adricho= mius de Vloedt JAZER, dewelke hy ook de Zee Fazer (b) noemt,…en zegt dat dezelve haar oorfprong heeft uit de fteenrotzen om- trent de Stadt JAZER; en dewyl het bekent is, dat de Hebreeuwfche Taal lydt, dat alle vergaderingen van wateren een ‘Zee genaamt worden , behoeven wy deze naam van de Zee Fazer echter niet hooger aan te merken als de Rivier fazer. Zelfs de Propheet (c) Jefaia heeft de Rivier Fazer de Zee genaamt.

De

(a) Vid, Galen. de Simplic. Medic, Facult. Lib, IV. Gap.1g. |

(4) Vid. Chrifk. Adrichomii Theatr. Terre Sauct. in Tab. Trib, Gad. N. 25.

(c) Ziet Fefaia Kap. AVL,

124 Natuur en Konfs-Kabinet ,

De Propheet Feremta (2) zegt : Boven bek |

ubeweenen, Zywyn- … Jlok van Sibma: uwe wynranken zyn over de zeegegaans zyhebben gereikt tot aan Faezers |

geween van Jaezer zal î

Zee, enz. Hieronymusen Eufebius (b) ípree- « ken uitdrukkelyk vande Stadt Fazer,datzy ge- «

weeft is een Stadt der Amoriten, tien mylen

gelegen van Philadelphia,en over de Jordaan,

dat dezelve is geweelt een grenspaal van het Erfdeel van de Stamme van Gad; dat des- zelfs gebiedt zich uitftrekte tot aan de Stadt AROER ; dat dezelve vyftien mylen afgelegen wasvan EsEBON, en dat uit dezelve een groo- te vloedt voortkwam, die haare wateren in de Jordaan ontlaften. Volgens de getuigeniffe van Mofes is de Stadt Jezer gebouwt of her- bouwt van de Kinderen Ifraëls uit de Stamme Gads: (c) Ende de Kinderen Gads bouwden Di- bonzende Ataroth, ende AROER , ende Atroth- Sophan,ende FAEZER enz.Dat de Stadt Jezer is geweelt een grenspaal van de Stamme Gads, blykt uit Jofua: (d) Dat baare landpale was FAEZER , ende alle de Steden Gileads, ende bet halve land der Kinderen Ammons > tot AROER toe , die voor aan Rabbats. De Stadt Fazer was mede een van de vier Steden, de- weike uit het erfdeel van de Stamme Gads aan de Lewiter was gegeven. (e) Daarom gan ven

(2) Ziet Jeremia Kap. XXXXVIII, vers 32. (4) Vid. Onomaftion Urbinm €5 Locorum Sa- era Scriptura Bonfrerii Lit. Faz.

(c) Ziet Numeri Kap. KXXII, vers 34. 35.

(d) Ziet Jofna Kap. XIII, 25.

6e) Ziez Kap. XXI, vers 3 en 38.

Ë

Zanaary en Fchruaryp 1yar. veg wen de Kinderen Ifraëls den Leviten van bun erfdeel , na de mond des Heeren, deze fte- den, ende de voorftedenderzelver. …. Van de Stamme Gads nu, de vryftadt des doodflagers, Ramotbh in Gilead, ende haare voorfteden; en- de Mabanaim, ende haare voorfteden. Hes- bon ende baare voorftedens Faezer ende haare woorfteden: enz.

iis

Indien de Vloedt Fazer zyn oorfprong heeft uit de Vloedt Arzon, volgens Adrichomius, heeft de Vloedt Arnor gemeenfchap gehad met de wateren van de Jordaan, dog echter zo= danig, dat de wateren uit de Vloedt Arzox door middel van de Vloedt Fazer in de Jordaan zyngebragt, dewyl deze uit den Arzon van de hoogte na delaagte in de Jordaan de wateren heeft overgebragt;maarBonfrerius is van gevoe= len, dat de Vloedt Arnon niet zo zeer nahet noorden heeft opgefchoten, en plaatít in zyn Kaart van Paleftina de Stadt fazer veel noorde- Iyker „als het uiterfte einde van de Rivier Ar= NON,en benevens de Stadt Jazerde Zee Jazer, in de gedaante van een rond meir, en uit de Zee Jazer een vliet, dewelke deze wateren ontlaft in de Jordaan, dog met geen meer zekerheid als Adrichomixs; want of fchoon (4) Hieronymus zegt, dat het waarfchynlyk is, dat deze Zee Jazer geboren word uitde menigte der fonteinen en bronnen, zo is het ook even waarfchynlyk , dat deze Vloedt Jazer geboren word uit de Vloedt ARNoN ;

ten (4) Vid. de Loeis Hebraicis,

126 Natuur- en Konft-Kabinet;

ten minften twyfelt niemant, dat zy beide van “de groote regel Arabifche Bergen haar oorfprong krygen , als ook dat de Vloedt Fazer ich in de Jordaan ontlaft: uit welke omftandigheden wy zeer klaar konnen ont- dekken de voortreffelyke gefteltheid dezer lan= | den en wateren van deze Vloedt Arzon, de= wyl de landen, dewelke tot erfdeel vielen van de Stammen van Ruberzen van Gad (de- welke de wateren van- Arzon befproeiden } zeer vruchtbaar waren in het voortbrengen van vee, en met ongemeen fchoone weilan= den en grasryke beemden pronkten.

I2.

Aan deze zelfde vermaarde Rivier Arso7z was ook gelegen de voortreffelyke Stadt A= ROER „gelyk ik gemeldt heb,en ook blykt uitde Heilige Bladeren : (a) Alzogaf Mofe de Stamime der Kinderen Rubeus na baare buisgezinnen;dat haare landpale was van AROER af, dataan den oever der beeke Arnons is, ende de Stadt die in bet viiddender beekeisenz. DeStadt Arorr leide wel tegens de grenzen van de Stamme Rubens, maar was echter een grensplaats van de Stamme Gads, en leide ook op den bo- dem van de Stamme Gads ; jade Stadt AROER was zelfs van de Kinderen Gads gebouwr. (4) Ende de Kinderen Gads bouwden Dibon, ende Atarotb, ende AROER., Hier uit blyke klaarlyk,dat de Rivier Argoz,na dat dezelve,van de

(a) Ziet FPofna Kap. XIII, vers 15. (4) Ziet Numeri Kap. XXXL. vers 34

January en February 1721e 127 de Doode. Zee afgerekent , gelopen hadde naar het ooften, om het Koningryk Moabs af te fcheiden van het land der Amoriten, zich met een bogt heeft gekeert van het zui- den naar het noorden, en boven de landen der Kinderen Rubens heeft gelopen, ten min- ften tot op de hoogte van de landen van de Kinderen Gads, die zo veel verder naar het noorden leiden, en dat deze Rivier haare wa- teren heeft ontvangen van de bergen Galaad; want de helft van de bergen Gileads of Ga- laad gaf (a) Mofes aan de Kinderen van Gad en Ruben.” Het fchynt, dat de plaats, daar de Kinderen van Gad de Stadt ArRoERr gebouwt of verbouwt hebben, insgelyks een grensplaats geweelt is van den Koning Simon, een van de twee Koningen der Amoriten, die verflagen wierde door Mofes : (4) S/- HON de Koning der Amoriten, die te HES- BON woonde: Die van AROER af beerfche ze, welke aan den oever der beeke, Arnon is, ende over bet midden der beeke, endedebelft van Gilead , ende tot aan de beeke Jabbok enz. De Stadt AROER is zo groot geweeft, dat zy, byna als een Eiland in de Rivier Ar- non gelegen heeft, oft dat de Rivier om de- zelve gefpoelt heeft aan beide zyden, want als David Joab uitzond om het volk tetellen,(c) Eingen zy over. de PFordane , ende legerden zich by AROER, ter rechterhand der fradt,

die (a) Ziet Deuteronomium Kap. III. vers 12. en Kap. IV. vers 48, (6) Ziet Fofna Kap, XIL vers 2. (c) Ziet 2 Samuel XXIV. vers 5.

228 Natuur-en Konft-Kabinet; die int midden is van de BEEKE GADS (den Arnon) eude aan JFAEZER.

13e

Behalven dat de Rivier Arnon zeer vermaart is geweelt door de flag van Mofes (a) tegen den Koning der Amoriten SiHoN, is ook omtrent de oevers van deze rivier, en by de Stadt Aroer voorgevallen de vermaarde flag van JEPHTA DEN GILEADITER tegens den Koning der Kinderen Ammons, dez welken hy werfloeg van de Stadt Aroer af enz, uit de landen der Amoriten , dewelke zy aan de overzyde der Jordaan den Kinderen 1fraëls afgenomen hadden, en hen geweldaadig be- heerfchten. Eer Jephta deze veldflag aanving, verzocht hy den Koning der Ammoniten , deze fteden en landen te verlaaten, en de ci- gendommen aan de Kinderen Hfraëls weder- om af te ftaan, by welke gelegentheid klaar- Iyk blykt, dat de Stadt Aroer van de Kinde-

ren lfraëls bewoondt wierd. Zerwyl Ifraël,

zeide Jephta, drie hondert jaar gewoond heeft

in (6) Hesbon, ende in haare Stedekens, en-

de in AROER ende in haare Stedekens , en= de in alle de Steden die aan de zyde' van (de Rivier) ARNON zyn. Waar uit ook

openbaar is, dat de Rivier Arzon zeerigroot,

en met veel Steden bekroondt is geweeft.

Wy (a) Ziet Richteren Kap. XT.

(4) Hesbon was te voren de Koninglyke Hoofd-

ftadt geweeft van Sihon, den Kening der Amoriten , den welken Mofes verfloeg.

ij

| | ij

__… _Panuaryen February 1721. 129 is 14. Wy hebben khen: dat de Stadt A- _ ROER gelegen was zodanig aan de Rivier _ ARNON, dat de Rivier als om de Stadt heen geleidt was; maar (a) Hieronymus en Eufe= ‚ bius getuigen, dat AROER een plaatsje der Moabiten was, dat het zelve gebouwt was op den oever van de Vliet Arzon, en dat het zelve noch by hun tyd gezien wierd op den kruin van een berg. Hier zouden zich twee zwaarigheden konnen opdoen; eerftelyk dat AROER zoude gelegen hebben in het Koning- ryk van Moab, en ten tweeden dat Aroer niet aan de laagte van de boorden van de Rivier Arnon, maar op een berg zoude gelegen heb- ben ; maar de eene zwaarigheid neemt den Heer Reland weg, met te zeggen, dat Aroer kan gelegen hebben met de eene zyde op de hoogte van een berg of heuvel, en met dean- _ dere zyde nederdaalende aan de voet vanden berg, op de oevers van de Rivier ; en de zwaarigheid van het Koningryk Moab is. van geen belang, om dat voor dezen de Moabi- ten, hunne fteden hebben gehad in de landen der Amoriten, gelyk daar ook gelegen hebben de velden Moabs, en geenzins in ’t Koningryk Moab zelfs, voor zo ver als het zelve in de Schriftdoor den Arxon bepaalt is.

Is.

De wateren van de Rivier Arzon moeten van Eeen zeer goede hoedanigheid zyn, om dat aan deszelfs boorden zo veel fteden ge- bouwt zyn geweelt, als ook om dat de lan-

V. Deer. l den,

(a) Vid. Onomafticon Bonfrerii.

130 Natuur- en Konft-Kabinet,

den, velden en bergen, van dewelke deze Rivier zyne wateren ontvangt, zeer vrucht- baar waren in het voortteelen van vee, gelyk als gebleken is aan de Kinderen Rubens en de Kinderen Gads, dewelke onderde Kinde ren Ífraëls zeer hebben uitgemunt in rykdom en overvloedt van vee, en daarom deze lan- den , dewelke van den ARNON bêfprocit wierden, tot hun erfdeel hebben uitverkoren, gelyk Mofes getuigt: (a) De Kinderen Ru- bens nu hadden veel vees, ende de Kinderen

Gads hadden magtig veel : ende zy bezagen 3

land Faezer, en ’t land Gilead, ende ziet de=

ze plaatze was een plaatze voor vee. Maar »

wy moeten hier aanmerken, dat de landen

der Amoriten , dewelke van de Kinderen |

Rubens en Gads bezeten wierden , niet alle even vruchtbaar en bekwaam waren tot het voortteelen van vee; want defteden, dewel= ke op de grenzen van de Woeftyne, en bo- ven de vloedt Arnon leiden, waren niet in zodanige vruchtbaare landen geplaatít, alsde

Steden dewelke leiden aan deze zyde vanden Vloedt Arnon, of tuffchen de Vloedt Arnon | en de Jordaan, en wel voornamentlyk in het midden, of in de vlakke velden en de « vlaktens van Moab alzo genaamt. DeSchry= vers plaatzen verfcheide Steden aan en om= trent den Rivier Arnon, gelyk onderanderen :

(4) Adrichomius , in welker ftandplaats zy

dik |

a) Ziet Num, Kap. XXXII. en Fofwa Kap. Allen XIII. 5 | Jef 5

(6) Vid. Adrishomii Theasr. in Trib. Ruben.

Famdary en February 1721. 13î dikwils zeer verwart zyn; als by voorbeeld AEMATH, Mtsor, LuirH , MEDAzA, BAALMEON , MEPHAT , GALLIM , CADE-

MOTH, en verfcheide andere; daarom zal ik __my geenzins inlaaten om deze Schryvers te volgen, dewyl ik zelfs ondervinde ‚dat Eufe« _bins en Hieronymus, en vorder een groot ge- tal Schryvers, Omtrent het plaatzen van de fteden ‚ dewelke omtrent en aan de Rivier Arnon gelegen hebben, zeer verwart, onze= ker, en zelfs vol dwaalingenzyn. Ookraakt het onderzoek dezer fteden juift zo zeer niet de Natuurlyke Hiftorie van deze Rivier, en deszelfs boordenen omgelege landen, Ik zal, op dat wy den aart en de natuurlyke geftelt- heid van deze Rivier klaarlyk moogen ont= ‚dekken , alleenlyk den aart der landen be- fchryven , door dewelke de Rivier Arnon vloeit, en maar eenige Steden aanmerken. 1ó,

Zeer veel plaatzen in de Heilige Bladeren bewyzen, dat de Rivier ARNON altyd ver- “ftrekt heeft voor een grenffcheidinge tu{lchen - de Kinderen Ifraëls en de Moabiten, gelyk als te voren deze zelfde Rivier de grenfïchei- ding was geweelt tu{lchen de Moabiten en de Amoriten, voor dat de Kinderen I(raëls het land der Amoriten ingenomen hadden; maar dewyl de Rivier Arnon gaat van de lan- den der Moabiten, tuflchen de landen der Amoriten en de woeftyne; vorder op na het noorden, en na de Rivier Fabok, by de Ga-

_hileifche Zee, verkrygen haare wateren ver- Bo la fehei=

132 Natuur-en Konff-Kabinet ; fcheide hoedanigheden, na de verfcheide hoe- danigheden van de verfcheide landen , dewel= ke haare wateren in dezelve koomen te ont- laften ; gelyk als by voorbeeld de landen van % aaloude Koningryk Moab, de Woeftyne van Arabien, de hooge rotzen en bergen van den Galaad by de bergen ARNON, en vorder alle de wateren van de landen tuflchen de Jor- daan of hetgeheelelandíchap Pera ofder Amoriten , dat zich uitftrekt tot aan het land= fchap Gaulonitis en Batanea , naar het noorden, en gelegen in ’ ooften boven de Galileifche Zee. Dit Pera is het land, het welke de Kinderen van de Stamme Ru- bens en de Stamme Gads bezeeten hebben, en het welke de Amoriten voor de kinderen Ifraëls beheerfcht hebben, en door het welke de Rivier Arnon doorvloeit van het noorden na het zuiden, zich voor ’t landfchap Moabitis omkeerende van het ooften na het weften tot in de Doode Zee. Ik weet dat den hoog ge= leerden Heer Reland, in zyn Kaart van Pale- ftina, als ook in zyne opheldering van Pale- ftina, de Rivier Arnon niet zo laag heeft ge- ftelt, mitsgaders dat dien Heer deszelfs loop geftelt heeft van het weften naar het ooften, maar geenzins met de kromme bogt. en voortgaande naar het noorden, gelyk wy de- zelve oordeelen byna tot op de hoogte van het beginzel van den Rivier Jabok, maar ik heb zeer veel reden om deze laatíte gedach- ten, en niet die van dien geleerden Man, te volgen. :

Het

mee

January en February: 1 72 ESS

d 17. | Het Landfchap over de Jordaan, het welk

de Stamme Rubens en die van, Gad bewoon= den, was volgens de Schriftuur , gelyk wy gezien hebben, zeer ryk van weilanden en vee. Fofephus (a) noemt dit land{chap P r«

_ REA, en zegt van het zelfde, dat de landen

__aan de overzyde van de Jordaan zeer berg-

achtig, ruw, en vol wilderniffen en woefly- nen waren , maar dat echter Perea veel zach= ter gronden, vruchtbaarder aart, en velden met verfcheide boomen beplant, bezat, en wel voornamentlyk met olyfgaarden, wyn= gaarden en palmgaarden voorzien was; dat

__dezelve overvloediglyk befproeit en bevochtigt

“worden, door de vlieten van ’ gebergte en _ het water der levendige fonteinen „als deregen=-

wateren haar ontbreeken. Onder deze wateren

_der vlieten en beeken , moogen wy ook (tellen de wateren van de Rivier ARNoN. Dit Pe-

RAA bepaalt Yofepbus aan het noorden met de Stadt Pella, by de Galileifche Zee, in het welten, met de Jordaan, in het zuiden met

__het landfchap Moabitis, en in het ooften met

de wilderni(len of woeftynen en bergen van ‚Arabien, van dewelke voor een gedeelte de

ateren van de Rivier ARNON geboren wor- den. De breedte van dit Landíchap Perea, van het ooften na het weften, is na de uitre- kening van den Heer Reland, uit Flavius Joe Jepbus, omtrent 45 Roomf{che mylen; wel- ke landftreek ouwelings bewoond: wierd door

Bei 13 de (4) Vid, de Bello Jud, Lib. Ill. Gap. 2.

ve

0%

234 _Natuur- en Konft-Kabinet;

de Kinderen van de Stamme Rubens, de Stamme Gads, en een gedeelte van de Stam- me van Manafle, Als wy nu by deboomen, plantgewaflen , olyfgaarden, wyngaarden, en palmgaarden van Perea, voegen de grasryke beemden en vee-ryke velden en weilanden , daar dit land ouwelings mede voorzien was, zullen wy zeer wel konnen begrypen, datde wateren, dewelke in de Rivier Arnon uit het landfchap Perea afvloeiden , van een zeer zachte, vruchtbaare, vette , en voedzaame hoe- danigheid waren, en dat het daarom zeer wel te gelooven ftaat, het geen Galenus van de- ze Rivier zegt, dat dezelve zeer groote vif= fchen voortteelde. Maar wy moeten niet aanmerken, dat de wateren van het geheele Laandfíchap Perea ontlaft zyn geworden inde Rivier ARrNoN,maar ook een groot gedeelte van dezelve in de Jordaan, want de Fordaaz loopt even gelyk den ARNON van het noorden na het zuiden, of van de Zee van Galilea tot in de Afphaltifche of Doode Zee; en dewyl de bergen of heuvelen aan de zyde van Arabien, als ook het geheele land , beginnen neder te daalen , en wel de meefte vlakke landen, en velden, en weylanden maaken na dezyde des Jordaans, is het wel zeer bedenkelyk , - dat veel meer wateren van het landfíchap Pe- rea in de Jordane vloeyen , als in de Ri- vier Arnon ; maar om dat aan de ooftzyde van den Arnon de bergen en (teenrotzen , de woeftyne , wilderniffen en zanden van Arabien, gelegen zyn, ontvangt den Arnon

ed

January en February 172%. 135 meerder wateren van dezelve als de Jordaan op die hoogte,

18.

Ik heb voor dezen (a) aangetoont 1. Dat de bergen, dewelke ten opzicht van Paleftina aan de overzyde van den Jordaan in Arabien

_ gelegen zyn , met veele en verfcheide naamen genaamt wierden by de Schryvers, als ook in de Heilige Bladeren. 2, Dat hier uit zeer veel verwarringen, in het plaatzen van derzelver ftandplaatzen,en in de befchryvinge der landen, zyn geboren. 3. Dat de grouwzaame bergen van vyftig uuren gaans in de lengte, en de- welke met verfcheide takken hier en daar, meerder of minder zich verfpreiden, en van de groote rotzen Arnon tot aan den Libanon _ loopen, zeer gevoeglyk alle met malkander konnen begrepen worden onder de naam van _ den Berg Galaad of Gilead. 4. Dat deze groo- _ te regel bergen Galaad verfcheide naamen heeft, na de verfcheide plaarzen , door de- _ welke dezelve heengaat, $. Dat dezelve van de HoocrE RorzEN ARNON, tot aan de _ Stadt Cedar, by uitnemendheid de naam van den Berg GArLAAD voert. 6. Dar dezelve by _BosraMm en het ronde Meir PriALA, daar de Jordaan zyn oorfprong verkrygt, de naam voert van den BERG SriR. 7. Datdezelve hier van daan gaande , en omringende het Landfchap Tracnoniris, den BerG HER- MONgenaamt word. 8. Dat dezelve zich in hes I e- (a) Ziet Natuur-en Kanft-Kabines In ‚ beren December 1719. van pag. 454 tot 462.

we

136 Natuur- en Konft-Kabinet, gewelt, omtrent de Stadt Cefarea van Phí- bippus of Panium \ vereenigt, door het tuf- fchenkoomen van verfcheide groote en kleine heuvelen, met den Berg Libanon. Waar uit blykt, dat deze algemeene berg Galaad be- ftreek de landen van de halve Stamme van Manafle over de Jordaan, de Landen vande Stamme van Gad,tot aan de noorder grenspaa- len van de landen der Stamme Rubexs, of de hooge rotfteen Armon, daar de Rivier Arnon uit geboren word. Van deze hooge rotfteenen Arnon, tot aan de bergen van ’t landfchap Moabitis aan de Doode Zee, langs den geheelen loop van de Rivier Ar- non , worden ook zeer veel bergen, fteen- rotzen en heuvels gevonden , dewelke elk wel byzondere naamen hebben , gelyk alle de voorgaande , maar Hieronymus en Eufebias hechten ook deze aan den berg GALAAD of GILEAD ; zo dat volgens deze benaa- minge de Berg Galaad ook zoude beftryken de landen van de Stamme Rubens in ’t oo-= ften. De verfcheide gefteltheid en vrucht- baarheid van dezen algemeenen berg Galaad heb ík voor dezen (a ) befchreven , en is ook zeer toepaflelyk op deze verhandelinge, over den aart van de wateren en de na- tuurlyke Hiftorie van de R1iviER ARNON, alleenlyk met dit onderfcheidt , dat zulks maar toepaflelyk is van dat gedeelte van den algemeenen berg Galaad, van de fteen- rotzen Arzon afgerekent, tot aan de bergen van (a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet Novem- ber en December 1719. van pag. 459 tot 468.

_ Hr

‚k 4

: ij

hl

January en February 1721. 137

wan de landen MMoabs, of (dat het zelfde is)

van ’t begin des Vloeds Arzogs tot de Doode Zee, daar dezelve eindigt.

silk Ig. Alfchoon de landen over de Jordaan, de-

‚welke van den oorfprong des Argons naar ’t noorden, en boven de Galileifche Zee totaan

den Libanon of der Stamme Gads, en de hal-

ve Stamme Maraf/e, zeer vermaart zyn wegens haar vruchtbaarheid, water-rykheid , fontei- nen, bronnen, beeken, en zeer welriekende gewaflen in de boffchen en op haare bergen enz. wierden daarom niet minder in de lan- den van de Stamme Rubens, of van de rot- zen Arnons, tot aan de bergen vant Landfchap MMoabitis, tuflchen den Arzonen de Jordaan,

_ gevonden zeer aangenaame velden , boom- _ gaarden, beemden, weiden, alderhande vee, ‘wateren , bronnen, fonteinen, vlieten, bee= ken, vruchtbaare bergen , heuvelen en val- _ leyen, gelyk by voorbeeld de Stadt Dibon, _ dewelke ook Dimon in de Heilige Bladeren genaamt wierd, en gelegen heeft in de vlak-

ke landen der Amoriten aan de boorden van de Rivier Arzon, en dewelke rondom om-

_ringt was met veel fonteinen , levendige _ Ápringbronnen , beeken , en zelfs met zeer vifch-

ryke wateren, en aangenaame beemden en Vlakke weilanden. Van deze Stadt (a) zeg- gen de Heilige Bladeren, dat dezelve behoor- de onder de Stamme Gads, van Aroer aas,

die aan den oever der beeke ARNON is, en

Iig de (4) Fofva Kap, XIII. vers g.

138 Natuur- en Konft-Kabinet, de Stadt die in 't midden der beeke is, ende AL HET VLAKKE LAND, VAN ME- DEBA TOT AAN DIBON TOE. Dat Dibon of Dimon vermaart was door deszelfs wateren , blykt uit Jefaia: (a) Want de wa- Beren Dimons (of Dibons) zyn vol bloedts enz. Over deze woorden zegt (4) Hieronymus , dat in deze Stadt veel overdaad en welluft was , om den overvloedt , geboren uit de vruchtbaare en met water befproeide velden,en de gedurig fpringende en levendige fonteinen. Hieronymus getuigt, dat in zyn leeftyd dit plaatsje noch onverfchillig DrmoaN en ook DiBoN genaamt wierd, en met veel zacht- vloeyende beekjes omringt was. De Propheet Jeremia zegt: (c$ Daalt neder uit (uwe) beerlykheid, ende woout in DORST', gy in- woonerfle , gy dochter van DIBON. Van deze Stadt zegt Hieronymus (d) ook verder, dat Dibon een zeer groote Stadt was geweelt, gelegen aan den Vloedt ARNON, dat dezelve was geweeft onder de Heerfchappy van den Koning van ’t Koningryk 2Moabs, maar dat Sthon de Koning der Amoriten ( dewelke door Mofes overwonnen wierd ) dezelve door den oorlog gewonnen, en de Moabiten afgeno-= men hadde, en dat dezelve naderhand is ge- raakt

(a) Ziet Fefaia Kap. XV. versg,

(b) Wid. Comment.Hieron.Lib.V.in Efatam, « Cap. 15.

(c) Ziet Jeremia Kap. XLVII. vers 18, en de volgende.

(d) Vid, Hieron.de Locis Hebraieis.

January en February 1721. 139

rgakt onder het erfdeel van de Stamme van Gad. (a) Eufebius verhaalt dat by zyn tyd noch een zeer groot Derp, het welk Dison genaamt wierd, aande Rivier den ARNON in wezen was. In de woeftyne is ook een plei= fterplaats geweeft, die. DiBoNGaD genaamt wierd, en in ’t erfdeel van de Stamme Juda een Stadt, dewelke ook de naam van Dibon droeg ; maar dit voor den Lezer, om niet misleidt te worden door de geiykheid van den naam. 20.

Behalven dat de opheldering van deze aal- oude Stadt DiBoN, de aangenaame landsdou- we van de boorden en naaftgelege plaatzen

_ vande RiviERr ARNON aanons openbaar maakt, ontdekken wy hier noch nader door, dat de Rivier ARNON aan de weftzyde, of na

_Paleftina, is voorzien geweeft met zeer veel water-beeken , bronnen, fonteinen, zoet vloeyende kreekjes, en aangenaáme vrucht- _baare en grasryke velden en beemden. Ten opzicht van deze Stadt Dison doet zich een

_zwaarigheid op, want de Heilige Bladeren (6) getuigen, dat deze Stadt Dibon is geweeft ouder het erfdeel van Ruben, en dezelve (c) getuigen ook, dat de Kinderen Gads de Stadt Dison bewoond hebben ; maar dit ís veroor-. zaakt,om dat de Stadt Dibon gelegen heeft op de grenflcheidinge van Ruben en Gads erf-

) dee- (4) Vid. Eufeb.de Loc Hebr. | (6) Ziet Fofua XIII, XVI.enz. (©) Ziet Numeri XXXIL. en KXXIV.

140 _Natuur- en Konft-Kabinet,

deelen; en het is bekent, dat de Kinderen: Gads eenige Steden bewoondt hebben, de- welke te voren geweeft waren onder het erf= deel van de Kinderen Rubens, |

21.

Niet ver van de Rivier Arnon, en dicht by de Stadt Dion, is geweeft de Stadt Crrscu- BON, zy word door Fofephus genaamt EssEe BON, en in de Heilige Bladeren overgezet Heszon. Deze Stadt is voor dezen geweeft de aanzienlykfíte Stadt van het geheele land der Amoriten, dewelke onder de Heerfchap- py van den Koning Sibon ftonden, die door Mofes verflagen wierd. DeStadt HEsSBoN was te voren ook geweefì onder de Heer- fchappy van den Koning der Moabiten, die aan de zuid en zuidooftzyde des Arnons woonde, maar was door de kragt der wape- nen van Sibon, Koning der Amoriten, den Moabiten ontweldigt, en door hem tot zyn koninglyke wooning en hoofdftadt gemaakt; daarom vinden wy op veele plaatzen in de Heilige Bladeren, dat de Koning der Amo- riten, dewelke door Mofes verflagen wierd, genaamt wierd alleenlyk den Koning van Hes- bon, Hieronymus en Eufebius (a) getuigen, dat dezelve gelegen was in het land van Gí= lead, waar door wy altyd het bergachtige ge= deelte van de landen, aan die zyde gelegen over de Jordaan, verftaan moeten. Miero- nymus voegt daar by, dat deze Stadt by zyn tyd Efbus genaamt wierd, en dat dezelve een

zeer (a) Vid. Onomaft, Boufreris.

4 January en February 1721: ár geer aanzienlyke Stadt was, gelegen in die bergen van Arabien, dewelkeaan de overzyde “van de Jordaan twintig mylen van Fericho af- gelegen waren; dat dezelve ouwelings behoor= de onder het erfdeel van Ruben, maar aan de Leviten afgeftaan. Schoon deze Stadt HEs- BON gelegen was in het erfdeel van Ruben, word dezelve in de Heilige Bladeren echter _getelt onder de Steden, die bewoondt wier-

den van de Kinderen van Gad, even gelyk

als de Stadt Dibon, om dat deze Stadt Hes- bon gelegen heeft tuflchen de Stamme Rubens en de Stamme Gads, gelyk blykt uit (a) Jofaa; de landpale der Kinderen Gads was van HESBON tot Ramathmi:pe enz., en dewyl Mesbon gelegen was in het erfdeel van Ruben, is het zeker , dat Mesbon gelegen heeft aan de uiterfte noordelyke grenzen van die landen,

of 22e __ Behalven dat deze Stadt zeer vermaart is geweelt, was dezelve ook als een Heerfchap- py op zich zelven, dewelke in het Koning- yk der Amoriten over eenige kleindere Ste- den en Dorpen geboodt, want Flavius Fofe- Phus (L) noemt dit, in de gedaante als vaa eenbyzonder Land{íchapje, ESSEBONITIS, uit het welk de taalkundige Lezer zeer wel zal bemerken, dat deze Stadt als een byzon- der Heerfchappytje moet ‚aangemerkt wor- fi: den.

(a) Ziet Fofwa Kap. XIII. vers 26. (6) Vid. Antig. Fud, Lib. XIL. Cap. s.

hd

142 _Natuur- en Konff-Kabinet ; den. Wy leeren ook het zelfde út Numerf XXI: 25. Alzo nam 1fraêl alle deze fleden sn : ende Ifraël woonde in alle de fleden der Amoriten, te HESBON, ende in alle haare onderboorsge plaatzen. Want HESBON was de. Stadt SIHONS des Konings der Amori= sen, ende hy hadde geftreden tegen deu vori= gen Koning der Moabiten: ende by hadde al Zyn land uit zyn hand genomen tot aan Ar= mon, Flavius Jofephus (a) verhaalt ook, dat Alexander, de Koning van Juda, in het jaar 80 voor de geboorte van Chriftus, de Stadt HeEsnoN onder zyn heerfchappy hadde, bene- vens veele fteden over de Jordaan, en in de landen der Arabieren, want in die en eenige voorgaande tyden verftrekte deze Stadt Hes- bon, benevens verfcheide andere, voor (terk- tens en grensplaatzen, tegens de invallen der Arabieren. Fofepbus (U) verhaalt, dat Hyr- canus in ’t jaar voor de geboorte van Chriítus 184. en de volgende, in deze geweften over de Jordaan zyn hof hield, en gedurig tegens de Arabieren oorlog voerde, en veele van de zelve verfloeg, of in gevankenifle weg fleep= te; dat hy in de landftreek Effebonitis, datis, in de voortreffelyke velden en geurige bergen en water-ryke beemden, gelegen rondom de Stadt Hesbon by de Rivier Arnon, een zeer fterk Kafteel bouwde , dat de muuren van hetzelvevandegrond tot aan ’t dak uit wir Marmer beftonden, alles zeer heerlyk uit- ge-

(a) Lib. Antig. XIII. Cap. 23. (b) Lib. XII. Cap. ss

January en February 1721. 143

„gevoert; dat in deze marmere muuren uitge- houwen waaren, op een zeer geeftige en kon- ftige wyze ‚de gedaanten van verfcheide dieren van een uitfteekende grootte; dat hy rondom dit gebouw een zeer fchoone en diepe gragt liet graaven, dewelke vol water was, en dat hy in een uitfpringende fteenrots van een te= gens overftaande berg liet doorbooren, en in dezelve onder door de gronden liet uithak- ken en uitgraaven zeer groote holen, loop- graaven en fpelonken, dewelke zelfs de leng= te hadden van verfcheide ftadien ; in het Kaf= teel liet hy zeer fchoone en groote vertrek- ken, kamers, keukens en zaalen maaken , dewelke bekwaam waren, zegt Jofephus, tot

_ gaftmaalen ; dit geheele werk wierd verciert

met fpringbronnen en fchoone fonteinen, in zulk een grooten overvloedt, dat door dezel- ve de plaats zeer vermaakelyk en fchoon wierd. De zeer groote onderaardfche gan- gen, loopgraaven en fpelonken, waren aan

derzelver ingangen zo naauw gemaakt, dat

|

maar een meních te gelyk door dezelve kon- de inkoomen , het welk aangelegt was tot meerder befcherming en veiligheid. Aan dit Kafteel wierden ook zeer veele voorhoven gemaakt, en deze wederom voorzien met groote tuinen en boomgaarden, en aan dit geheele werk gaf Hyrcanus de naam van Tv- RUS. Uit dit ailes kan de opmerkende Lezer zien, dat aan de boorden van de Rí- vier Arnon gevonden wierden koftelyke ade= ren van marmer en alderhande fteen; tot het epbouwen van dit heerlyk werk ; dat ook

aan

144 _Natuur- en Konff-Kabinet ,

aan deze boorden, en in de heerfchappy van de Stadt Hesbon, gevonden wierd overvloedt van water, tot het vullen van de gragt, en het gedurig fpringen der veelvuldige fontei- nen; welk water zekerlyk geleidt zal zynge- weeft uit de zyfcheutjes, beekjes, vlietjes , kreekjes en waterleidingen vande Rivier Ar- non, en van de fteenrotzen en bergen, die aan de boorden en naaftgelege plaatzen van den Arnon gevonden wierden ; mitsgaders dat ook in de Heerfchappy van dezeftadt Hesbon, en aan de zoomen en omtrent de Rivier Ar- non, overvloediglyk geweeft zyn vruchtbaare Valleyen, vlakke velden, en deugdzaame aar- de, tot het maaken van de zeer groote en veelvuldige tuinen, daar Jofephus van preekt. De vermaarde water-rykheid van Hesboz blykt ook uit het Hoogeliedt Salomons: (a) Uwe oogen zyn (als) de vyvers te HESBON, by de poorte Bath-rabbim,

23.

Aan de Rivier EN in ’ zuiden van HesBoN, wierd ouwelings een andere aan- zienlyke Stâdt gevonden, dewelke MEDABA genaamt was ; op zommige plaatzen word dezelve Medeba en ook Madaba genaamt. De Heilige Bladeren verkondigen, dat deze (4) Stadt Merpeza in vlakke landen gelegen was aan gene zyde der Jordaan tegen het ooften , gelyk als Mofe de knegt des Heeren ben gegeven badde, van Aroer aan, die aan ers

(a) Ziet 't Hoogeliedt Salomons Kap. VII. 4.

(4) Ziet Fofna Kap. XIII, vers 8. g.

January en February 172i: 145

den oever der beeke ARNON is, en de Stadt

die in ’t midden der beeke is, en al het wlakke land van MED EBA tot Dibontoe. Waar uit klaarlyk blykt, dat Meprza gelegen was in de zelfde vlaktens en vruchtbaare velden van Dibon, het welke wy te voren befchre- ven hebben. Deze Stadt MEDEBA is onder de regeering van David belegerd geweeft door

‚de Ammoniten en de Syriers hunne huurlin- gen, maar zy wierden door Moab verflagen,

verjaagt, en de Stadt (a) ontzet. Eufebius en Hieronymus (b) fchryven, dat de Stadt Mepena by hun leeftyd noch in wezen was, dat dezelve gelegen was by Hesbon, en dat dezelve was een aaloude Arabifche Stadt, de- welke noch haar aaloude naam van MeDaABA voerde. Deze Stadt was te voren mede een

van die Steden over de Jordaan geweeft ,

dewelke aan den Koning van Moab toebehoort hadde, en naderhand aan den Koning der A- moriten, en waderhand aan de Kinderen van Ruben. De Velden van Moab , daar zo dik- wils in de Schriftuur van gefproken word,

zullen buiten allen twyfel mede geweett zyn die beemden, grasryke velden, en vee-ryke

landen, daar de zeer treffelyke Steden in ge- vonden wierden, om dat deze velden gelegen hebben in ’t Koningryk der Amoriten , aan deze zydeof de weftzyde des ARNONS, en geenzins in ’ landfchap Moab zelfs, het wel- ke aan de overzyde of aan de zuidzyde des

V. Deer. K Ar-

(a) 1 Chronicor. Kap. XIX, (5) De Locis Hebrarcis.

146 Natuur- en Konft-Kabinet, Arnons geplaatft was; want dan zouden de. Kinderen Îfraëls dezelve niet moogen bezeeten. hebben ,dewyl Godt het Land [Moab had buiten gefloten, en aan Mofes verboden het zelve te befiryden, Flavius Fofephus (a) verhaalt, dat JoONATHAS, de Vorft der Jooden, en die regeerde in ’t jaar voor de geboorte van Chri- ftus 159. aan de overzyde des Jordaans gele- gert zynde, en zich bereidende om te vech- ten tegens het Leger van Baccuipes zyn Broe- der, Johannes Gaddin wegzondt metde over- tollige beflommering , en buiten twytel met zy- ne voornaamfte fchatten en rykdommen, om dezelve te bergen, en in veiligheid tebrengen . by de Nabateefche Arabieren , dewelke woon- den aan de overzyde of zuidzyde van den Rí- vier Arnon , boven de landen der aaloude Amariten , Moabiten enz. , want fozathas on- derhieldt vrede en vriendfchap met deze Vol- keren, maar Johannes Gaddin wierd op deze togt overvallen, van alle de {chatten beroofd, en met de zyne omgebragt, doorde Inwoon- ders van Medeba ; maar Jozathas eenigen tyd hier na verftaan hebbende , dat een van de hoofden van deze Stadt een Bruidt zoude haa- len uit de.Stadt Gabatha, zynde deze Bruidt een dochter van een zeer voornaam Arabier, ging met zyn Broeder Simon en eenig -Volk in een hinderlaag leggen in het gebergte, om- trent de Stadt MeEpazra, aan de zyde van A- rabien, en overviel dezen Bruidegom en des- zelfs Bruid, benevens de geheele Familien, de-

(«) Vid. Fofeph, Antignit, Lib. XIII, Gap.r. «

hed ‚de - Sfannary en Februdry 1720: 147 _‚ dewelke zy doodeden tot een getal van over _… de vierhondert Perfoonen, dewelke zeer wa- ren opgepronkt, en met al hun befte kofte- lykheid verciert, van dewelke Jonathas en zyn Broeder Simornhaarberoofden. Ikhebdit verhaal uit Yofephus hier bygebragt, op dat Wy daar uit zouden ontdekken. 1. Dat Mee dabaeen aanzienlyke Stadt moet geweeft zyn. a. Dat Medaba een zeer fterke Stadt geweelt moet __zyn, dewylanderzins Jonathas , dewelke met een geheel Lieger leide in de vlakke velden aan den Jordaan, en zyn vyand verflagen hadde; dezelve wel zoude ingenomen, en om zyn Broeders dood te wreeken, verwoeft zoude hebben. Dat deze Stadtzeer fterk was, blykt ook zeer klaar uit (a) Jofephus, daar hy ver- haalt, dat Myrcanus dezelve belegerd hebben= de ,eerft met zeer groote moeite en arbeidt, na een belegering van zes maanden,daar van konde _meefter worden. 3. Om hier uit te bewyzen, dat deze Stadt gelegen was tegens de bergen van Arabien, aan de Rivier de Arzon, het welke blykt aan den weg, die Johannes nam na de Nabateefche Arabieren, die aan de over- zyde van den Arzon woonden. Dat ook deze „Stadt Medeba gelegen heeft op de uiterfte grenzen van delandender Stamme Rubens, of ‚van de Joodfíche landen over de Jordaan, en vervolgens aan den Arzon, blykt omdat zy noch lang daar na gedient heeft als een grens- plaats van de Arabieren tegen de landen der Jooden over de Jordaan , jadezelve heeft lang

2 on-

(a) Vid, Antig. Fudaicar. Lib. XIII, Gap. 19.

148 _Natuur= en Konft-Kabinet, onder de Heerfchappy van de Arabieren ge- ftaan; maar Alexander, de Vorft van Juda, heeft dezelve met elf andere Steden den Ara- bieren ontweldigt, gelyk blykt uit het verhaal van (a) Fofepbus. Als de twee Zoonen van dezen Alexander, na de dood van hun Vader, in twilt geraakt waren, door het ophitzen van Antipater, vluchte in het jaar voor de ge- boorte van Chriftus €$. de oudfte zoon, na- mentlyk Myrcanus, voor zyn Broeder Ariffo- bulus, dewelkehet Ryk regeerde, na den Ko- ning ARETAS, die Koning van dat gedeelte van Arabien was, aan de andere zyde van den ARNON en de Doode Zee, en gekooe men zynde in de Stadt Perra, daar de Ko- ning Aretas vyn Hof hielde, verzocht hy aan dezen Koning, om door zyn medehulp her- ftelt te worden in zyn Ryk van 7udea, on- der belofte , als hy zyn Ryk wederom verkreeg, van wederom aan ARETAS afte ftaan de twaalf Steden, dewelke zyn Vader Alexander deu Arabieren ontweldigt hadde, welke twaalf Steden waren. 1. MEDEBA. z. Nabollo. 3. Livias. q. Tharabafa. s. A= galla. 6. Athone. 7. Zoara. 8. Orona. 9. Ma- rifJa. vo. Rydda. vr. Lufa. 12. Oryba. De omgelegen landsdouwe van deze Stadt Me- daba was zeer vermakelyk, en van een zeer verfcheide gefteltheid , want dewyl deze Stadt gelegen was in de bergen van Arabien, en aan de Rivier den Arzon, wierden in des- zelfs rondom gelege landftreeken alt een-

(a) Wid. Fofephi Antiguit. Lib. XW. Cap. 2,

January en February 1720: « 149

fteenrotzen, bergen, heuvels, valleyen,poe- len, zeer groote boffchen, vlakke velden en grasryke beemden; gelyk blykt uit verfcheide (a) plaatzen van de Heilige Bladeren enz.

24 _ In * zuiden van SERT MEDABA, of negen mylem in ’ zuiden van de Stadt Mes- hon, was de Stadt BaALMEON, insgelyks ge= legen aan de boorden of naaftgelege landen van de Rivier Arzon, en vervolgens in. het erfdeel van de Kinderen van Ruben, gelyk ook blykr uit Mofes: (4) Ende de Kinderen Rubens bouwden BAAL MEO Nenz. Ook word BAALMEON gettelt onder het Erf- _ deelvan Ruben ‚by Jofua Kap. XIII vers 17. Wy leezen dikwils in de Schriftuur van de Steden, dewelke de Kinderen Rubens of de Kinderen Gads in deze landen der Amoriten bouwden , en wy leezen echter , dat deze Steden in die landen alreets waren , toen Mo-= fes dezelve kwam in te neemen: maar wy moeten door dit bouwen niet anders verftaan als herbouwen; want nadat de Koning der A- moriten door Mofes geflagen was, vluchte- den de Amoriten in hunne vafte Steden, de- welke volgens de aantekeninge van Fo/epbus door de Kinderen Ifraëls ingenomen wier- den, het welk niet heeft konnen gefchieden als met geweld, en door ’t nederwerpen van de

(a) Vid. Hieronymus in lfaje Cap. XV. 1 Mach. LX. &+ Pfal. David. (6) Numeri Kap. XXII. vers 38,

iso _Natuur- en Konft-Kabinet,

de muuren en derzelver bolwerken, dewelke naalle waarfchynlykheid de Kinderen Rubens, Gads, enz., naderhand elk in zyn erfdeel wederom zullen hebben opgebouwt, en dus de Steden der Amoriten herbouwt: Datdeze Stadt BAALMEON op deze plaats, aan den Arnon, in het ooften ten opzicht van Pale- ftina, en tegens de woeftyne gelegen was, blykt zeer klaar uit de Heilige (a) Bladeren, fpreekende van de Hoofden der Stamme Ru- bens, daar gezegt word: Ende BELA — woonde te Aroer, ende tot aan Nebo, ende BAAL MEON , ende by woonde tegen het oo- fien , tot den ingang der woeftyne, waat baar vee was veele geworden in't land Gileads. Uit deze woorden blykt ook zeer klaar de vruchtbaarheid en bekwaamheid dezer bergen, en heuvelachtige en beemd- en grasryke landen Gileads, tot het voortteelen van het vee. Het is aan een iegelyk bekent, dat de Vruchtbaarheid en grasrykheid der beemden en weylanden niet alleen afhangt van haar laage en bekwaame (tlandplaats, en van de goede hoedanigheid van haar aarde , en de zoetheid van den grond, maar wel voorna- mentlyk van de goede hoedanigheden, vet- heid, zoetheid, zuiverheid en overvloedt van haar water; en dewyl deze landen befproeit zyn geworden door de wateren van den ARr- NON, often minftendatden ARNoN hetzelf- de water heeft ontvangen van dezelfde bergen, gelyk als deze landen , zal niemant verwondert

a zyn,

(2) 1 Kronyken Kap./, vers8. g.

January en February 1yar. 151

‘zyn, of miltrouwen aan de getuigenifle van Galenus, dat in den Arzon zo wel groote (dat is wel gevoede) viflen wierden gevon= den als in den Jordaan. Van de uitmuntend- heid van de landsdouwefpreekt Ezechiel: (a) Daarom ziet ik zal de zyde Moabs openen van de Steden aan, van zyne Steden (die) van zyne grenzen af zyn; den cieraad des lands, Bethjesmorth ‚-BAÂL-MEON enz. Uitdeze Plaats blykt ook zeer klaar , dat de Stadt Baal-meon is geweeft een van die Steden der Moabiten, dewelke gelegen hebben buiten zy- ne grenzen, aan de weltzyde des